Even aan de olierijkdom gesnuffeld

Het einde van de boom in de Golfstaten dwingt Palestijnse hoogopgeleiden tot terugkeer naar de Westbank. De een had heimwee, een ander genoot.

Moge God vertrek vervloeken, na alles wat het met mij deed

Het is zuur, het verscheurde mijn hart en stal mijn geliefden

We zouden twee jaar weg zijn en dan naar ons dorp terugkeren

We verspilden onze jaren in het buitenland

Het is dé nazomerhit in de Palestijnse Gebieden: El Gerbeh, het vertrek, van de Libanese zanger Fares Karam. De videoclip toont een jonge Arabische man, werkend in de financiële sector in New York. Om hem heen storten de beursen in en wanhopig zit hij achter zijn bureau. De jongen verliest zijn baan, pakt het vliegtuig en keert terug naar Libanon. Daar wacht zijn familie hem op, met Libanese gerechten en dabke, de traditionele dans. Eind goed, al goed.

O God, o God, o God

Wat een ongeluk, mijn God

Wat is er met de mensen gebeurd?

Iedereen leeft weer in armoede

Vrijwel iedere jonge Palestijn kan El Gerbeh meezingen. Het is dan ook uit het leven gegrepen van Yazan, van Tallal, van Amjad en van zo veel andere jonge, veelbelovende Palestijnse expats die de afgelopen jaren de bezette Westelijke Jordaanoever ontvluchtten door een baan in het buitenland te zoeken. Maar de mondiale economische crisis heeft hun bestaan in het buitenland onzeker gemaakt. Massaal keren Palestijnse ingenieurs, consultants en ondernemers terug naar het land dat ze achterlieten.

„Tot voor kort was het simpel: als je kunt, ga je weg”, zegt Tallal Marzouk (29), een snel pratende ingenieur, in een restaurant in Hebron. Hij is weer terug in de stad waar hij opgroeide, na een avontuur in het buitenland. Marzouk studeerde na zijn school civiele techniek aan de Bir Zeit Universiteit, een studie met goede kansen op een bestaan in het buitenland. „Kijk om je heen op de Westbank”, zegt hij bitter. De bezetting, de muur, het totale gebrek aan infrastructuur. Als je ambitieus bent, is hier niets te halen.” Marzouk werd bovendien „stapelverliefd” op een stukje land net buiten Hebron, dat hij met de Palestijnse salarissen nooit zou kunnen kopen.

In 2006, hij was net afgestudeerd, won de islamitische beweging Hamas met een absolute meerderheid de Palestijnse parlementsverkiezingen. Toen wist hij het zeker. Dit wordt alleen maar meer ellende. Hij vond een baan in Dubai, „de droom van iedere Palestijn”, en het walhalla voor civiel ingenieurs. Opeens ging het niet meer over een gebouwtje hier of daar, maar werkte hij in gebouwen van 62 verdiepingen hoog.

Palestijnse ingenieurs waren altijd gewild in de Golfstaten, zegt Marzouk. „Iedereen weet daar: Libanezen huur je voor de marketing. Palestijnen voor het bouwen.” Omgekeerd maakte hij, net als zijn landgenoten, kennis met de poenerige zakenwereld van Dubai. Diners buiten de deur, een grote auto, winkelen tot je erbij neervalt. Wel iets anders dan vaststaan voor een Israëlische controlepost. „Ik genoot ervan. Al die belangrijke mensen, het geld. Ze zeggen daar ‘drie’ als ze drie miljard dollar bedoelen. Het gaat opeens over zulke grote dingen. Ik kreeg zomaar op een dag vier maandsalarissen als bonus. En alles is er schoon, er is geen gedoe over politiek of religie.”

Marzouk keerde alleen nog terug naar Hebron om met zijn jeugdliefde te trouwen, zijn buurmeisje Alaa. In de Verenigde Arabische Emiraten leefden zij een luxeleven. „Voor Alaa was het erg moeilijk. Ze had in Hebron een carrière als wiskundige en moest opeens als expatvrouw door het leven. Ze kende niemand en doodde de tijd met winkelen.”

Maar de markt in Dubai, het Arabische vastgoedimperium, begon eind vorig jaar te haperen. Door de economische crisis trokken buitenlandse investeerders zich terug. Megalomane bouwprojecten lagen opeens stil toen de financiering opdroogde. La Casa, het vastgoedbedrijf waarvoor Marzouk werkte, ging werknemers ontslaan. Marzouk kreeg een aanbod: hij mocht blijven werken, maar zou een derde van zijn salaris inleveren. „Toen ging ik nadenken: de huur is daar 1.500 dollar per maand, eten en drinken is duur. Ik zou niets meer overhouden voor mijn stukje land.”

In februari van dit jaar keerden Tallal Marzouk en Alaa terug naar Hebron. Alaa schrijft haar dissertatie en zorgt voor hun vier maanden oude zoontje Atallah. Marzouk werkt voor een non-gouvernementele organisatie die Amerikaanse ontwikkelingshulp coördineert. Want alleen de ngo-sector is financieel interessant, zegt hij. „We moeten echt een stap terug doen.”

Sinds jaar en dag is de Westelijke Jordaanoever gewend aan een uitstroom van hoger opgeleide Palestijnen. Tussen 2006 en 2008 verlieten volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Palestijnse Autoriteit tienduizenden hun land. In het najaar van 2006, toen het conflict tussen Hamas en het concurrerende Fatah een dieptepunt bereikte, vertrokken 10.000 Palestijnen. Bijna de helft – 44 procent – van de jonge Palestijnen gaf aan naar het buitenland te willen, als het zou kunnen.

De economie in de Westelijke Jordaanoever stelt al jaren weinig voor, politiek is het gebied zwaar explosief, reizen is moeilijk. Maar weinig economieën ter wereld hebben zo te lijden onder onzekerheid, schreef de Wereldbank onlangs. En hoewel het Internationaal Monetair Fonds een theoretische economische groei met 7 procent mogelijk acht, zijn de vooruitzichten somber.

Maar de crisis heeft een onverwacht bijeffect op de Palestijnse economie. De terugkeer van naar schatting enkele duizenden Palestijnen naar hun geboortegrond zorgt voor een omgekeerde braindrain. Waar de economie van de Westelijke Jordaanoever altijd te lijden had onder een snel vertrek van afgestudeerden van universiteiten als Bir Zeit of Polytechnic University, zijn er nu opeens wél hoger opgeleiden beschikbaar.

Hoewel de motieven verschillen met toen, begint de situatie enigszins te lijken op de eerste helft van de jaren negentig. Toen keerden duizenden Palestijnen uit de diaspora terug, met name uit Europa en de Verenigde Staten, door de Oslo-akkoorden hoopvol gestemd over mogelijke vrede en voorspoed voor hun land.

Het verschil is te zien in Jericho. Aan de rand staat de ommuurde compound van UNOPS, de VN-organisatie die meehelpt aan het opbouwen van een veiligheidsapparaat op de Westelijke Jordaanoever. De internationale gemeenschap, de Europese Unie voorop, steken veel geld in de training van politieagenten en de bouw van politiebureaus en gevangenissen, als voorwaarde voor een nieuw te stichten Palestijnse staat.

Op de compound zitten de projectmanagers Yazan (27) en Amjad (36) tegenover elkaar op hun kantoor. Ze werken aan de verbetering van het politiebureau van Jericho. „Zeker 90 procent van de nieuwe medewerkers hier komt rechtstreeks uit de Golfstaten”, zegt Yazan. „Onlangs hebben we een vacature geplaatst. Van de sollicitanten reageerde eenderde uit Dubai. Niet zo gek, dit is een van de weinige banen waar je een acceptabel salaris verdient.”

Yazan werkte tot voor kort in Qatar, Amjad in Dubai. Hun achternamen willen de ingenieurs niet gepubliceerd hebben. Uit het gesprek blijkt dat het onderwerp aan een taboe in de Palestijnse samenleving raakt: je familie in de steek laten, voor jezelf kiezen, het geldt voor Palestijnen als not done.

De verhalen van Amjad en Yazan lijken op elkaar. Yazan werd civiel ingenieur in Qatar. Hij was ongelukkig. „Ik zat daar zonder mijn familie en kreeg het gevoel dat ik niets bijdroeg aan mijn eigen volk. Dat knaagde aan me. Ook terwijl ik goed verdiende en een leuk leven had.”

Amjad maakte carrière bij het consultancybedrijf Dar, Mammut Group en belandde uiteindelijk bij Dubai Holding. „Het leven in Dubai maakte me niet vrolijk. Het is er heet, de mensen werken er alleen maar. Ik bouwde geen sociaal leven op. Ik ben Oost-Jeruzalem gewend, met nauwe straatjes en drukke markten. Daar loop je in je vrije tijd maar wat door malls.” Over geld had Amjad niet te klagen. Met gemak verdiende hij vijfduizend dollar per maand, ontelbaar veel meer dan hij ooit op de Westoever zou verdienen.

Maar de gesprekken aan de expatbars werden vanaf oktober vorig jaar steeds somberder. Opeens werd er niet meer gebouwd. Dubai Properties kondigde aan driehonderd werknemers te ontslaan. De Indiërs, de Chinezen en de Palestijnen gingen er als eerste uit. Amjad, bitter: „De Amerikanen en de Britten mochten blijven. Blauwe ogen werkten in je voordeel.” Hem restte niets anders dan terug te keren naar de Westoever. „Voor mijn vrouw en kind is het maar beter”, zegt hij, „maar voor een ingenieur valt hier weinig te doen. Gebouwd wordt hier nauwelijks, altijd liggen oorlog en conflict op de loer. Dat is geen plek voor buitenlandse investeerders. Ik ben blij dat ik bij de VN kan werken.”

Yazan en Amjad raken in discussie of ze ooit weer terug zouden willen, als de economische situatie in de Golfstaten weer aantrekt. Meteen, zegt Amjad beslist. „Ik vind het werk daar zo veel leuker. En het verdient nog beter ook.” Yazan schudt zijn hoofd. „Nooit. ik doe het niet meer. Ik heb mijn mensen één keer in de steek gelaten, dat doe ik niet nog een keer.”