Een vermijdbare catastrofe

De Dertigjarige Oorlog staat bekend als een geweldsexplosie waarin religie een belangrijke rol speelde. In een prachtige studie nuanceert de Britse historicus Peter Wilson dit beeld.

Peter H. Wilson: Europe’s Tragedy. A History of the Thirty Years War. Uitg. Alle Lane, Penguin Books, 997 blz. € 45,90.

De Dertigjarige Oorlog begon op woensdag 23 mei 1618. Eén dag voor Hemelvaart werden drie keizerlijke functionarissen in Praag door Boheemse opstandelingen uit het raam gegooid, maar ze overleefden wonderwel. Dertig jaar later werd, op 24 oktober 1648, de Vrede van Westfalen gesloten die Europa definitief zou veranderen.

Grofweg gezegd bestaan er twee interpretaties van deze serie van gruwelijke conflicten. De ene is afkomstig uit de Duitse romantiek waarin het beeld werd opgeroepen van een allesverwoestende oorlog die Duitsland tot het hulpeloze slachtoffer van buitenlandse agressie had gemaakt. De oorlog werd niet alleen als onvermijdelijk beschouwd, zoals de Duitse toneelschrijver Friedrich Schiller in zijn tragedie over de vermaarde generaal Albrecht von Wallenstein schreef, maar werd ook verbonden met de vraag of er een protestants Klein-Duitsland onder leiding van Pruisen of een Groot-Duitsland inclusief het katholieke Oostenrijk zou moeten ontstaan.

Peter H. Wilson, hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Hull, geeft een andere interpretatie. In zijn zeer uitgebreide en schitterende studie slaagt hij erin dit beeld van een onvermijdelijke, escalerende en langdurige geweldsexplosie en heftige religieuze animositeit te nuanceren en deels te corrigeren. De uiterst complexe oorlog was volgens hem niet onvermijdelijk en er was geen sprake van een algemene Europese oorlog. Het ging vooral om een machtsstrijd binnen het Habsburgse keizerrijk. De oorlog had ongetwijfeld invloed op geheel Europa, maar de aartsvijanden Frankrijk en Spanje bleven vooral hun eigen agenda voeren. De Republiek beperkte haar gevechtshandelingen hoofdzakelijk tot die met de Spanjaarden. Verder stelt Wilson dat de oorlog niet alleen een religieuze oorlog was, maar dat deze ook steeds meer verbonden werd met politieke en sociale scheidslijnen. Waarom liep het toch zo uit de hand?

Vicieuze cirkel

Wat begon als een lokaal conflict tussen de nieuwe keizer van het Habsburgse rijk, Ferdinand II, en protestantse Boheemse edelen die meer onafhankelijkheid wilden en een protestantse vorst uit de Palts als hun koning kozen, kon in een toch al door religieuze spanningen verscheurd rijk gemakkelijk uit de hand lopen. De dreiging van het Ottomaanse rijk, de eerdere opvolgingsstrijd tussen de broers Rudolf en Matthias en de naschokken van de Reformatie verzwakten de positie van de keizer, wiens gebied een lappendekken van vorstendommen en vrije steden in Midden-Europa omvatte. Aanvankelijk leek de keizer met behulp van de Katholieke Liga onder leiding van Beieren de opstand met harde hand te kunnen neerslaan. Het Restitutie-edict van 1629, dat bepaalde dat alle gebieden en instellingen die na 1552 in protestantse handen waren gekomen, moesten worden teruggegeven aan de rooms-katholieke kerk, riep echter veel verzet op. Zo raakten ook andere delen van het rijk in een vicieuze cirkel van geweld en contrageweld betrokken.

De escalatie van de oorlog werd mede bepaald door de interventie van buitenlandse mogendheden. In 1625 deed de Deense koning een vergeefse poging zijn macht op Duits grondgebied uit te breiden. Vijf jaar later kwam de oorlog in een noodlottige stroomversnelling terecht door de landing in Pommeren van de Zweedse lutherse koning Gustaaf Adolf. Zogenaamd om de ‘Duitse vrijheid’ en het protestantisme te beschermen, was hij er vooral op uit om zijn eigen machtspositie te versterken. Hij sneuvelde twee jaar later, maar de Zweden zouden niet meer weggaan. Toen ook Frankrijk, bang voor omsingeling door de Habsburgers, en Spanje zich steeds meer financieel en militair met de situatie gingen bemoeien, was het hek van de dam, ondanks de Vrede van Praag in 1635. Zweden en Frankrijk werkten samen en de gevechten verplaatsten zich steeds meer naar het zuidwesten van het rijk. Behalve Bohemen, Brandenburg, Silezië en Saksen werden nu ook het Rijngebied, Elzas, Lotharingen, de Palts en Beieren het toneel van een geld en mensenlevens verslindende oorlogvoering die dankzij nieuwe wapens en militaire tactieken werd ‘gerevolutioneerd’. Deels waren de strijdende partijen aangewezen op financiële en militaire steun uit het buitenland. Vreemde huurlegers die slecht of niet betaald werden, trokken plunderend en moordend door het land en werden getroffen door desertie en muiterij. Naar een idee van Wallenstein werden er contributies opgelegd aan de lokale bevolking om aan geld te komen; de oorlog moest zichzelf betalen. De ene slag moest de nederlaag van de andere weer compenseren. Wallenstein, van eenvoudige lutherse Boheemse afkomst en katholiek geworden, kon dankzij de nieuwe omstandigheden een fortuin verdienen die hij aan de keizer leende. Deze raadselachtige veldheer wist op te klimmen tot generalissimo van het keizerlijke leger, maar werd wegens zijn eigengereidheid en onbetrouwbaarheid ontslagen en later zelfs vermoord.

Moordpartijen

Wilson voert ons als een nuchtere en zeer vakkundige gids langs de talrijke oorlogstonelen, van de veldslag op de Witte Berg tot die bij Lützen. Hij heeft niet alleen oog voor de politieke en militaire leiders als Wallenstein en kardinaal Richelieu, maar ook voor de ervaringen van de gewone bevolking. Hij beschrijft gedetailleerd de moordpartijen, de plunderingen en brandstichtingen. Steden en dorpen werden in de as gelegd, kerken ontheiligd, bibliotheken verplaatst of leeggeroofd, het vee en oogsten vernietigd en vrouwen verkracht en vermoord. Vooral de plattelandsbevolking werd zwaar getroffen door represailles, roofovervallen, moordpartijen, armoede, honger en ziektes als de pest, tyfus, dysenterie, pokken en malaria. Deze maakten onder de gewone soldaten en de vele duizenden die de legers volgden meer slachtoffers dan de militaire handelingen. In 1648 was eenderde van het landbouwareaal ontvolkt. Grote stromen vluchtelingen doorkruisten het land. Steden en dorpen onderhandelden over overgave met de vijand om erger te voorkomen. Toen Maagdenburg in 1631 door keizerlijke troepen werd ingenomen, verloor de verwoeste stad ongeveer 20.000 inwoners. In totaal vonden 8 miljoen inwoners van het Habsburgse rijk de dood, nog afgezien van de vele gesneuvelden onder de buitenlandse troepen. De oorlog vormt dan ook samen met de Napoleontische oorlogen en de ‘Dertigjarige Oorlog’ van de twintigste eeuw (de Eerste en Tweede Wereldoorlog) een van de vier grote oorlogen die de moderne geschiedenis van Europa hebben geteisterd. Door de hoge verliezen onder de bevolking was de Dertigjarige Oorlog naar verhouding de grootste catastrofe.

Politiek, economisch, demografisch en ook cultureel werd het keizerrijk aangetast, hoewel Wilson voortdurend benadrukt dat de effecten van de oorlog naar plaats en tijd sterk varieerden. Zijn relativerende toon is verfrissend, maar maakt de door hem beschreven ellende niet minder groot. Terwijl de gevechten gewoon doorgingen, werd er ten slotte vanaf 1643 officieel onderhandeld over vrede. In Münster en Osnabrück kwamen de delegaties bijeen. Frankrijk en Zweden traden op als garantiemogendheden van de vrede in het Habsburgse Rijk dat in grootte, gezag en internationale reputatie achteruitging. Alle rijksstanden werden binnen het keizerrijk soeverein en er ontstond ook meer religieuze tolerantie. Het calvinisme werd naast het katholicisme en lutheranisme voortaan als een gelijkwaardige godsdienst erkend. De betekenis van de Westfaalse Vrede, waarvan de tekst een bestseller werd, was volgens Wilson niet zozeer te vinden in het oplossen van de vele conflicten, maar in het ontstaan van een nieuwe internationale orde in Europa. De vredesverdragen vormden een vrijwillig contract dat boven alle bestaande seculiere en religieuze wetten stond. Dit was een eerste stap op weg naar een geseculariseerde orde in Europa gebaseerd op meer gelijke, soevereine staten. Deze weg zou nog erg lang blijken te zijn.