Een veld vol met 225 onsterfelijke musici

Een American-footballclub die verhuist en de band die achterblijft, zonder club.

Barry Levinson maakte een indringend verslag over die traumatische gebeurtenis.

Een warme herfstavond in het M &T Bankstadion van de Baltimore Ravens, het plaatselijke American-footballteam. Bijna tweeduizend fans worden via een groot scherm toegesproken door Barry Levinson. De cineast van onder meer de films Diner en Wag the Dog zou in het stadion zijn documentaire The Band That Wouldn’t Die, die op hetzelfde scherm wordt vertoond, van commentaar voorzien. Maar drukke werkzaamheden aan een film met acteur Al Pacino in New York verhinderen zijn komst.

In zijn videoboodschap bedankt Levinson, die in Baltimore opgroeide, de musici van de fanfare die in het stadion de wedstrijden luister bijzetten. En hij maakt een diepe buiging voor voorzitter John Ziemann van de Marching Ravens, die de droom van professioneel American football in de stad levend hield toen er jarenlang geen club was gevestigd. De toeschouwers juichen en klappen. Als even later de documentaire begint, met verhuiswagens die in 1984 in een sneeuwstorm het materiaal meenemen van de Colts, de voormalige footballclub uit Baltimore, wordt er gefloten en „schande” geroepen.

The Band That Wouldn’t Die, inmiddels vertoond op de Amerikaanse televisie, is een indringend verslag van een traumatische gebeurtenis in de Amerikaanse sportgeschiedenis. Clubeigenaren die zich miskend wanen, of zich beknot voelen in hun commerciële aspiraties, willen hun club nog weleens verhuizen. Dat overkwam ook de Colts. De club uit Baltimore vertrok in 1984 als een dief in de nacht naar Indianapolis. In een sneeuwstorm, zonder dat de plaatselijke bevolking of het stadsbestuur ervan op de hoogte waren.

De musici van de fanfare van de club bleven achter, verweesd, maar niet verslagen. Onder leiding van John Ziemann ontwikkelde de Baltimore Colts Marching Band zich tot een spraakmakend muziekkorps, dat zich twaalf jaar lang verhuurde aan American-footballclubs en optochten in diverse steden begeleidde. Toen Baltimore in 1996 weer een club kreeg, de Ravens, beëindigde de Colts Marching Band zijn zwervend bestaan. In 1998, bij de opening van het nieuwe stadion, veranderde de fanfare zijn naam in Marching Ravens.

De optredens van de Marching Ravens – een van de vier muziekkorpsen in de National Football League – zijn spectaculaire gebeurtenissen, met musici, majorettes én dirigenten die ritmisch over het veld lopen, huppelen, rennen. De band bestaat volgens Ziemann, tijdens de vertoning van de documentaire in het stadion aanwezig, uit 350 mannen en vrouwen, inclusief medisch personeel en administratie. De 225 musici komen uit vijf deelstaten. Ziemann: „Musici die voor de Ravens spelen moeten niet alleen vakmensen zijn, toegewijd en gedisciplineerd, maar ook over de nodige vrije tijd beschikken. Als je in North Carolina woont, ben je urenlang onderweg naar Baltimore. We eisen dat alle bandleden een keer per week gezamenlijk oefenen, naast de optredens tijdens de wedstrijden.”

Bill Brubaker (88) is het oudste lid van de oorspronkelijke Colts Band die in het stadion aanwezig is. Hij speelde trombone van 1947 tot 1967. „Vlak achter de majorettes”, zegt hij met pretoogjes. „Een goede plek. Destijds waren we nog niet zo groot. Dertig tot vijftig leden, inclusief de meisjes. Het was toen bovendien meer een marcheerband dan nu. We liepen rondjes tijdens de pauze. Nu kom je daar niet mee weg.”

Ed Goldstein (55), een tubaman uit de jaren zeventig die naast Brubaker staat, knikt instemmend. „De nadruk lag op spelen. Nu is de muziek ondergeschikt aan de choreografie. Alles beweegt.”

Wat was voor Brubaker het dieptepunt als bandlid? „In de jaren vijftig liep onze beste majorette over naar de concurrentie, de fanfare van de Washington Redskins. Een klap, want tussen onze bands wil het traditioneel niet boteren. Gelukkig bleef haar tweelingzus voor ons behouden.”

Brubaker heeft er geen bezwaar tegen dat de Colts Band is omgedoopt in de Marching Ravens. Maar één ding zint hem niet. „Wij hadden een strijdlied dat door merg en been ging. Als we dat speelden stond het stadion op z’n kop. Iedereen zong mee. Kreeg ik zelf ook kippenvel van. Maar de Colts Band Fighting Song wordt door de Marching Ravens bijna niet meer gespeeld. Jammer.”

Ziemann hield het moreel van de Colts Band twaalf jaar hoog, ook als er geen optredens waren geboekt. Dat was niet altijd makkelijk. In de documentaire van Levinson vertelt hij dat hij de verlovingsring van zijn vrouw Charlene naar de lommerd bracht, om nieuw materiaal voor de drummers te kunnen kopen. Ondanks de financiële recessie zijn zulke maatregelen nu niet meer nodig. „De Marching Ravens bestaat uit vrijwilligers. Niemand wordt betaald. Maar goedkoop is het in stand houden van een band van 350 mannen en vrouwen natuurlijk niet. De Ravens draaien voor de kosten op. En de naamgever van dit stadion is een belangrijke sponsor.” Ziemann wil niet zeggen hoeveel het korps jaarlijks kost.

Onder de aanwezigen die naar de documentaire kijken zijn de weduwe en de dochter van ex-footballheld Johnny Unitas, wiens standbeeld voor de ingang van het stadion staat. En Yolanda Proctor (79), die samen met haar dochter Anama Kambon (56) herinneringen ophaalt. Proctor behoorde tot Corral 34, de eerste Afro-Amerikaanse fanclub die in de jaren vijftig overal in het stadion van de Colts mocht plaatsnemen. Baltimore was een footballstad, zegt ze. „Mensen leefden echt voor de Colts. Ik ook.”

Waar dat uit bleek? Haar dochter neemt het woord. „Mijn moeder houdt van koken. Zes dagen in de week stond ze in de keuken, maar zondag was het altijd behelpen. Dan liep ze met haar vriendinnen naar het stadion. Daar nam ze de tijd voor. Lekker eten kwam maandag weer.”