Een Braziliaan is duurder dan een Mexicaan

Simon Kuper en Stefan Szymanski: Dure spitsen scoren niet, en andere raadsels van het voetbal verklaard. Nieuw Amsterdam, 288 blz. € 17,50

Voetbal is big business, zo wil de uitdrukking. Maar is dat wel zo? ’s Werelds grootste voetbalclubs – Real Madrid, Barcelona of Manchester United – draaien een jaaromzet die verbleekt bij die van een redelijk anonieme uitgeverij als Wolters Kluwer. En Ajax? Dat kan wat omzet betreft niet eens op tegen een uit de kluiten gewassen Albert Heijn-filiaal.

Dit is een van de vele opmerkelijke conclusies die de Nederlands-Engelse sportschrijver Simon Kuper en de Britse econoom Stefan Szymanski trekken hun boek Dure spitsen scoren niet, en andere raadsels van het voetbal verklaard, dat zij zelf vertaalden en bewerkten voor Nederland. De collectieve wijsheid van de borreltafel verdraagt volgens hen nauwelijks de meest basale wetenschappelijke analyse. Ze besloten het cliché vogelvrij te verklaren en eens keihard aan gegevens te toetsen.

Kuper, schrijver van de sportklassieker Voetbal is oorlog, vergaarde met Szymanski de data. Wat is de economische meerwaarde van het organiseren van een groot toernooi? (Geen, maar je wordt er als land wel gelukkiger van). Wat is statistisch de beste manier om een penalty te nemen? (Nóóit halfhoog). Heeft racisme invloed op het salarisbeleid van clubs? (Niet meer. Het omslagpunt in de jaren negentig kan zelfs vrij nauwkeurig worden vastgesteld). Waarom heb je als blonde speler een grotere kans gescout te worden? (Omdat er relatief weinig blonde spelers over de wereldvelden snellen, lopen ze simpelweg meer in het oog).

Dure spitsen scoren niet zit vol van dergelijke inzichten, tot leven gewekt met smakelijke anekdotes. Maar in hun ijver álle algemeen erkende waarheden over de mondiale sport te lijf te gaan, zijn Kuper en Szymanski niet altijd streng genoeg voor zichzelf geweest. Statistieken worden, zoals het statistieken vergaat, aangewend voor overtrokken conclusies. En wat je van een wetenschapper helemáál niet verwacht, zijn basale rekenfouten. Ik denk dan aan het klakkeloos optellen van percentages tv-kijkers, terwijl sommige kijkers in verschillende van de samenstellende categorieën vallen.

Het sterkste en voor voetbalprofessionals meest relevante deel van dit boek heeft betrekking op transferbeleid. Ik zou elke club – vooral Ajax en Feyenoord – aanraden een kleine greep uit de failliete boedel te doen om de technische staf dit boek cadeau te geven. Niet dat de daarop kans groot is. Clubs, zo tonen de auteurs aan, begrijpen zelden dat je geld slim en dom kan uitgeven. Dus wordt er wel met transfergeld gesmeten, maar vreest men elke additionele uitgave die de investering beter kan laten renderen.

Ooit mocht ik in Groningen de Braziliaanse voetballers Hugo en Leonardo interviewen. Direct na hun transfers waren ze door de plaatselijke FC in een dorpshotel geparkeerd. Het tweetal sprak geen Nederlands en durfde zich slechts aan warme soep te wagen. Binnen de kortste keren waren ze te mager om te spelen.

Kuper en Szymanski hebben karrenvrachten van dit soort voorbeelden. Spelers die buiten trainingen en wedstrijden om in een vreemde maatschappij van alles moeten regelen: een huis, een school voor de kinderen, taalles, verzekeringen. Het leidt tot stress en verminderde prestaties. Een club als Olympique Lyon begrijpt dat voetballers mensen zijn – ze zullen na overmaking van een fors salaris niet veranderen in feilloze machines. Een deel van het succes van die Franse provincieclub is gebaseerd op de wijze waarop ze spelers in staat stelt optimaal te functioneren. Het gaat niet alleen om smijten met miljoenen, het gaat vooral om begeleiding.

Daarnaast wijzen Kuper en Szymanski op de inefficiënties in de transfermarkt. Sommige nationaliteiten zijn overgewaardeerd, wat leidt een redeloos hoge transferprijzen. (Zoals een Braziliaanse makelaar zegt: ‘Het is triest om het te zeggen, maar het is veel makkelijker een waardeloze Braziliaan te verkopen dan bijvoorbeeld een briljante Mexicaan’).

Sterren van recente WK’s en EK’s worden te duur verkocht en ook oudere spelers zijn relatief te duur. Het is beter in jonge spelers te investeren, en die steeds hogere salarissen te betalen zodat ze niet weggaan. Arsenal-trainer Arsène Wenger heeft dat goed begrepen. De crux van goed transferbeleid is iemand alleen kopen als hij door de markt wordt ondergewaardeerd, en zonder schroom te verkopen als er een bod komt dat de eigenlijke waarde van een speler overstijgt.

Kuper en Szymanski halen veel overhoop met dit boek. En hoewel de auteurs zelf niet zonder zonde zijn, toont Dure spitsen scoren niet één ding onomstotelijk aan. De meeste ‘voetbalkenners’ zijn rijp voor de Cup met de Grote Domoren.