Een bekroonde hersenbloeding

Kathrin Schmidt: Du stirbst nicht. Kiepenheuer & Witsch, 348 blz. € 20,60

De jury van de Deutscher Buchpreis zorgde afgelopen week voor een grote verrassing. Niet de kersverse Nobelprijswinnares Herta Müller kreeg de prijs voor haar boek Atemschaukel, noch de debutant Stefan Thome, die met Grenzgang misschien wel de mooiste Duitse roman van het voorbije seizoen schreef. De jury koos voor Kathrin Schmidt (1958), een schrijfster uit de vroegere DDR die in de jaren tachtig met poëzie debuteerde en eerder drie weinig opvallende romans publiceerde.

Het bekroonde Du stirbst nicht is een ziekenhuisroman. Door de ogen van Helene Wesendahl, een 44-jarige patiënte, worden de gevolgen van een ernstige beroerte (gesprongen aneurysma) beschreven. Helene ligt twee weken op de afdeling intensive care, ze heeft haar spraakvermogen verloren en is gedeeltelijk verlamd. De periode vlak voor de beroerte herinnert ze zich nauwelijks, alleen dat ze enigszins overwerkt was en in onmin leefde met haar echtgenoot. Heel langzaam herstelt Helene en krijgt ze weer greep op het leven. Een therapeute brengt haar het aankleden en eten bij, ze leert weer met taal om te gaan. Gaandeweg dringt het tot Helene door wie ze is: een moeder van vijf kinderen, een schrijfster en voormalige kinderpsychologe.

Helene Wesendahl is onmiskenbaar een alter-ego van de schrijfster Kathrin Schmidt, die enkele jaren geleden zelf werd getroffen door een hersenbloeding. Dat verklaart de grote betrokkenheid en de intense manier van schrijven, die meteen op de lezer overgaat. Schmidt slaagt er voortreffelijk in om voelbaar te maken hoe het is om uit een coma te ontwaken en volledig overgeleverd te zijn aan wildvreemde, vaak tactloze mensen.

De vertelwijze van Du stirbst nicht is volledig aangepast aan het onderwerp. Aanvankelijk kiest Schmidt voor korte of ultrakorte zinnen, later worden woordkeus en zinsbouw uitgebreider. ‘Afasie’ (verlies van taalvermogen) is het eerste woord dat Helene bewust hoort; ze begrijpt het eerst verkeerd, legt het uit als ‘Anfang sieben’, het tijdstip waarop in het ziekenhuis de avond begint. Pas later realiseert ze zich tot haar schrik wat ermee bedoeld is. Deze roman gaat ook over de angst van een schrijfster voor taal- en identiteitsverlies en over de moeizame weg terug.

Een vrolijk boek is het niet, deze ziektegeschiedenis waarin – vooral in het eerste deel – sprake is van incontinentie en maagsondes, van verminkte medepatiënten en ongeïnteresseerd personeel. In de latere hoofdstukken wisselt vaak de setting en geeft Helene zich over aan herinneringen aan haar vroegere leven. Hier leren we een bijna overambitieuze en zeker niet onijdele schrijfster kennen, die regelmatig te kampen had met schuldgevoelens en depressies. Helene heeft een verhouding gehad met een transseksuele vrouw. Bijna heeft ze haar (tweede) huwelijk opgegeven voor deze vrouw. Maar het is uitgerekend haar echtgenoot Matthes die zich tijdens haar ziekbed het meest om haar bekommert en aan wie ze uiteindelijk het meest gehecht blijkt.

De roman speelt zich af in de zomer van 2002, toen Duitsland en Midden-Europa geteisterd werden door een ernstige watersnood. Maar de terugblikken in het tweede deel reiken tot in de nadagen van de DDR. Deze fragmenten, bijvoorbeeld over het alcoholisme op het platteland in Thüringen of over de gebrekkige bevoorrading van de socialistische levensmiddelenzaken, hebben nauwelijks een functie. In het tweede deel worden ook de stilistische beperkingen van Kathrin Schmidt duidelijk. Flauwe woordspelingen en sleetse metaforen ontsieren de tekst. De liefde definiëren als een gevoel dat ‘ervoor zorgt dat het bloed sneller circuleert’ is niet bijster origineel.

Du stirbst nicht is een menselijk document dat ongetwijfeld veel respect verdient. De jury van de Buchpreis heeft het bekroond – en zich waarschijnlijk gerealiseerd dat de andere gegadigden in literair opzicht meer in hun mars hebben.