De terugkeer van onzekerheid

Hoogleraar Robert Skidelsky schreef een schitterend boek over de ontsporing van de economische wetenschap. Hoe computermodellen het gezond verstand uitschakelden.

Robert Skidelsky: Keynes. The return of the master Penguin, 240 blz. € 25,-

Grofweg weten we wat er mis was. Banken konden zich ontpoppen als casino’s, economische groei ging als doelstelling een eigen leven leiden en we hadden ook nog een redenering die leerde dat de markt weet wat goed is. De aanloop naar de Grote Recessie illustreert met andere woorden een institutioneel, een moreel en een intellectueel falen. Of, in een terugblik van de jarenlange voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, Alan Greenspan: „Het hele intellectuele bouwwerk stortte in.”

Maar weten we wat er mis was, anders dan inderdaad grofweg?

Het is een vraag die herinneringen oproept aan de waarschijnlijk meest absurdistische verklaring uit het midden van de financiële crisis. Dat was in augustus 2007, toen een van de slimste mensen van de slimste bank, Goldman Sachs, vertelde dat zijn computermodellen nu al dagen achter elkaar meer dan vijfentwintig afwijkingen van de standaard-afwijkingen registreerden. Zoiets kon, zo vertelde de man verbouwereerd, volgens het model maar één keer in de 10 tot de 140ste macht gebeuren. Met andere woorden, volgens het beste computerprogramma van de beste bank was de kans op deze instorting van het financiële systeem kleiner dan de kans dat God het nog eens op zijn heupen zou krijgen en de schepping zou overdoen.

Het blijft toch een van de grootste raadsels van deze tijd hoe dit heeft kunnen gebeuren. Je hoort er deskundigen over, vaak ook economen, en soms met een benijdenswaardige stelligheid. Economen die in het recente verleden de waarheid nog hadden opgeofferd aan de wiskundige elegantie van de modellen, grijpen nu terug naar eenvoudiger redeneringen over macro-economische onevenwichtigheden. Maar de kennis van modellen blijft kennelijk de stelligheid voeden.

Natuurlijk veranderen de modes. De efficiënte markttheorie ligt niet zo goed meer in de markt. De hit van 2009 is Animal Spirits (besproken in Boeken, 15-05-09) waarin de economen Robert Shiller en zijn Nobelprijs winnende collega George Akerlof een cocktail aanbieden van gedragspsychologische inzichten en opvattingen van John Maynard Keynes. De mens blijkt hierin niet zo’n rationeel wezen en de gedragseconomie zoekt naar een realistischer mensbeeld waarin voor angst, hebzucht en kuddegedrag veel plaats is ingeruimd. Het is een verdienstelijke poging om te begrijpen in wat voor wereld we leven en zij verdienen de lof die ze krijgen. Zolang het maar geen economische theorie wordt. Want het succes van economische theorieën is afhankelijk van de omstandigheden, niet van de kwaliteit van de theorie. Dat is misschien wel de belangrijkste les die telkens weer kan worden geleerd, wanneer de stelligheden van een tijdvak omver vallen.

De befaamde historicus en econoom Robert Skidelsky grijpt op voorbeeldige wijze zijn kans in Keynes. The return of the master. Deze emeritus-professor en Hogerhuislid schreef geruime tijd geleden al in drie kloeke delen een uitputtende biografie van John Maynard Keynes (1883-1946). Maar wat hij nu doet is iets heel anders dan een verkorte opwarmer in het licht der gebeurtenissen. The return of the master is geen beknopte biografie, maar wandelt met het gedachtengoed van Keynes langs de economische ontwikkelingen van de laatste decennia en probeert die daarmee te begrijpen. En om misverstanden te voorkomen: Skidelsky is een fan van Keynes, maar een scepticus waar het Keynesiaanse politiek betreft – al was het maar omdat die eigenlijk niet bestaat en iedereen altijd maar wat aangemodderd heeft met verwijzingen naar Keynes. Nee, voor Skidelsky is Keynes een boegbeeld omdat hij ondanks al zijn passie voor statistieken en formules in feite geen econoom was, maar veel meer, namelijk een wijs man. Het resultaat is een schitterend boek.

„De ideeën van economen en politieke filosofen zijn, niet alleen als ze gelijk hebben maar ook wanneer ze ernaast zitten, krachtiger dan algemeen wordt aangenomen. De wereld wordt in feite door weinig anders geregeerd.” Dat zei Keynes en hier pakt Skidelsky de draad van de actualiteit op. Voor hem is de huidige crisis voor een groot deel „het resultaat van een intellectueel falen van de economie als vak”.

Met zijn General Theory of Employment, Interest and Money (1936) bracht John Maynard Keynes de economische wetenschap tot een copernicaanse wending in zijn analyse van de Grote Depressie in de jaren dertig. Volgens de klassieke economen werd die veroorzaakt door een inefficiënt aanbod. Maar volgens Keynes kwam het door vraaguitval. Dit mag misschien klinken als een technisch detail, maar achter deze controverse gaat een radicaal verschil in denken schuil. Want in de klassieke theorie vindt spaargeld op een of andere manier altijd een bestemming zodra de prijs klopt. Volgens Keynes daarentegen kunnen mensen en instituties simpelweg stoppen met investeren en consumeren omdat ze onzeker zijn. Al lijkt dat op het eerste gezicht nog zo onlogisch .

Alles draait hierbij om het begrip ‘onzekerheid’. Deze term hebben economen na Keynes stap voor stap weer uit de theorie verwijderd. Zowel neo-Keynesianen als neo-klassieke economen hebben modellen voortgebracht waarbij ‘onzekerheid’ in feite werd vervangen door ‘risico’. Onzekerheid als paradigma maakte plaats voor de taal van de rationaliteit, voor de modellen. Onzekerheid is onzekerheid, maar risico kun je in kaart brengen, correleren en berekenen. Onzekerheid kan niet in een computerprogramma, risico wel. Dat is een revolutionair verschil. De copernicaanse wending van Keynes bleef dus in zekere zin een wending die niet doorging.

Gedetailleerd staat Skidelsky stil bij de vooronderstellingen van de efficiënte markttheorie en de hypothese van de rationele verwachtingen – twee leerstukken van de moderne economie waarmee Nobelprijzen zijn gewonnen. Skidelsky verzucht: ‘Niet-economen zal het idioot voorkomen, maar dit is het enige fundament waarop de meeste economen tegenwoordig economie kunnen bedrijven.’

Skidelsky biedt verschillende verklaringen voor deze fundamentele ontsporing van het vak. Studenten krijgen veel te veel moeilijke wiskunde, schrijft hij ergens, ze worden getraind in een hersenspoeling van precisie. Wie gaat na zoveel inspanningen en een diploma op zak zeggen dat het allemaal schijnwerkelijkheden zijn?

Een ernstige bijdrage werd ook geleverd door de integratie van micro en macro, van bedrijfskunde en algemene economie. In de bedrijfskunde bestaat bijvoorbeeld een gangbare investeringstheorie die leert dat de huidige waarde van een toekomstige kasstroom kan worden berekend, zodat ook valt te berekenen of en wanneer een investering zichzelf terugverdient. De precisie van zo’n berekening is een onmisbaar hulpmiddel voor een ondernemer, al blijft het een hulpmiddel en kan niemand de toekomst voorspellen. Wie met dit soort hulpmiddeltjes hele economische trends te lijf gaat, produceert echter schijnzekerheden op een veel grotere schaal en wie mogelijke afwijkingen dan vervolgens in risicocurves groepeert, produceert een complete schijnwereld.

Zulke dingen zijn allemaal gebeurd en in de werken van Keynes kun je even zovele waarschuwingen daartegen lezen. Pasklare recepten voor alternatieven bood de grote meester niet. Keynes speculeerde zelf, ging een paar keer bijna failliet en stierf uiteindelijk toch betrekkelijk gefortuneerd. Fameus was zijn aanschaf van Argentijns graan dat in 1936 onderweg was naar Engeland. De prijzen daalden zo dramatisch dat Keynes het graan zelf ergens dreigde te moeten opslaan. Hij liet daarbij zijn oog vallen op de grafkelder van de kapel van King’s College in Oxford en werd op het laatste nippertje gered door een opkrabbelende graanprijs. Frivole activiteiten, noemde hij het zelf, maar hij kon het niet laten en het dwong hem wel steeds tot een intensieve relatie met de markt van aandelen, grondstoffen en speculanten. Keynes was atheïst, maar achtte de aanwezigheid van godsdienstig geïnspireerde zelfbeperking wezenlijk voor een samenleving. Kapitalisme was volgens hem onmisbaar om van armoede naar overvloed te geraken, maar daarna zou het wat hem betreft overbodig worden.

In zekere zin zag hij een moderne kapitalistische economie voor zich als perspectief, geleid door een platonisch ideaal van een harmonieuze samenleving, begeleid door een gedragscode van hoffelijkheid en fatsoen. Kortom, als filosoof had Keynes zich onontwarbaar verstrikt.

Desalniettemin blijft de basis van zijn economisch denken verfrissend. Zoals Keynes zei in een lezing in 1924: ‘Als individuen bij het najagen van hun eigenbelang tegelijkertijd ook het algemeen belang zouden dienen, dan zou de politieke filosoof met pensioen kunnen gaan ten gunste van de zakenman. Zo is het echter niet en elk tijdperk moet opnieuw de Agenda voor het Regeren samenstellen.’ Die lezing uit 1924 had een titel die past bij de terugkeer van een meester: Het Einde van het Laissez-Faire.