De hemel is leeg

Toen de Britse schrijver Patrick Hamilton in 1962 overleed, leek hij op weg naar vergetelheid. Maar zijn reputatie is alleen maar gegroeid. ‘De kracht van zijn werk schuilt in directe aanpak.’

Patrick Hamilton:Twintigduizend straten onder de hemel. Vertaald door Elles Theulen. Uitg. De Arbeiderspers, 544 blz. € 29,95

Goed nieuws: eindelijk is er een roman van Patrick Hamilton in het Nederlands vertaald. Het zijn er zelfs drie: The Midnight Bell, The Siege of Pleasure en The Plains of Cement, die samen de trilogie Twenty Thousand Streets Under The Sky vormen. Als Twintigduizend straten onder de hemel zijn deze romans nu verzameld in een mooie baksteen van meer dan vijfhonderd pagina’s.

Toen de Engelse schrijver Patrick Hamilton in 1962 op achtenvijftigjarige leeftijd stierf, werd hij in The Times omschreven als een ‘minor poet’, een term die niet neerbuigend was bedoeld, maar wel aangaf dat hij niet in het hoogste echelon thuishoorde. Zo’n oordeel komt meestal neer op een enkele reis vergetelheid, maar na zijn dood is Hamiltons reputatie alleen maar gegroeid, omdat schrijvers als Doris Lessing en J.B. Priestley ervoor hebben gezorgd dat hij nooit helemaal uit het collectieve literaire geheugen wegzakte.

Tijdens zijn leven stond Hamilton vooral bekend als de schrijver van de toneelstukken Rope (1929) en Gaslight (1938), die in de jaren veertig beide zijn verfilmd, de eerste door Hitchcock, de tweede door George Cuckor. Na zijn dood hebben opeenvolgende generaties lezers zijn romans herontdekt (Hangover Square uit 1941 gold jarenlang als de Engelse cultroman bij uitstek) en inmiddels wordt hij vergeleken met schrijvers als Graham Greene en George Orwell. Nu lijkt de vergetelheid verder weg dan ooit; er verschijnen wetenschappelijke studies over zijn werk, zijn romans worden regelmatig herdrukt, in 2005 bewerkte de BBC Twenty Thousand Streets Under the Sky tot een driedelige tv-serie en verleden jaar verscheen een nieuwe editie van Nigel Jones’ biografie van Hamilton, Through A Glass Darkly.

Hamilton had zijn hele leven te kampen met een alcoholverslaving, die hem uiteindelijk fataal werd. Een jaar voor zijn dood begon hij aan zijn memoires, die hij Memoirs of a Heavy Drinking Man noemde. Ze bleven onvoltooid, juist omdat hij zoveel dronk. Hij had dan ook een aantal demonen te bestrijden: een dominante, excentrieke en tirannieke vader, een moeder met wie hij, als we op zijn brieven mogen afgaan, een wel héél innige band onderhield, en sadistische impulsen die zijn verhoudingen met vrouwen er niet eenvoudiger op maakten. Bovendien kreeg hij op het toppunt van zijn roem een ernstig auto-ongeluk, dat hem ontsierende littekens in zijn gezicht opleverde. Dominante oudere heren, moeizame verhoudingen, een auto-ongeluk, drank – het is allemaal terug te vinden in Twintigduizend straten onder de hemel.

Die twintigduizend straten uit de titel van de trilogie zijn de straten van Londen. Goed beschouwd is Londen de eigenlijke hoofdpersoon van Hamiltons oeuvre. Ook al ontsnappen ze soms naar de voorsteden of naar Brighton, alle personages van Hamilton zijn voor altijd met de ‘betonnen vlakten’ van de stad verbonden. Meteen al in de openingsalinea van zijn roman The Slaves of Solitude (1947) noemt Hamilton Londen een ‘crouching monster’, dat zijn zuurstof ontleent aan de forensen die het elke dag weer in- en uitademt. In de straten van dat gedrocht bewegen zich de kleine helden en heldinnen van Hamilton, de vernederden en verdrukten, de dienstmeisjes, de serveersters, de drinkers, de hoertjes en de gemankeerde dichters. Het is onmogelijk om niet aan de ‘mean streets’ van Raymond Chandler te denken, en je zou kunnen zeggen dat Hamilton voor Londen doet wat Chandler voor Los Angeles heeft gedaan. Met dit verschil dat Hamilton bij zijn beschrijvingen van de zelfkant benadrukt dat het lot van zijn helden niet alleen afhankelijk is van hun eigen falen, maar ook van sociale en maatschappelijke omstandigheden; Hamilton was een overtuigd marxist.

Hamilton was vijfentwintig toen in 1929 The Midnight Bell uitkwam, het eerste deel van Twintigduizend straten onder de hemel. Hij had al een aantal romans en toneelstukken gepubliceerd, maar de roman over Bob, een voormalig zeeman die als barkeeper in de kroeg de Midnight Bell werkt, betekende zijn definitieve doorbraak. Bob is wanhopig verliefd op het hoertje Jenny. Afgezien van zijn verleden als matroos is Bob een nauwelijks verhuld zelfportret van Hamilton, die ook voor een prostituee was gevallen. Hamilton beschrijft gedetailleerd het zelfbedrog waarmee Bob zich staande probeert te houden; behalve een roman is The Midnight Bell ook een genadeloze zelfanalyse. De volstrekt onbetrouwbare Jenny is alleen maar geïnteresseerd in Bobs spaargeld en aan het eind van de roman blijft Bob met lege handen achter. Maar er is een uitweg: hij gaat terug naar zee en het boek eindigt met een lofzang op de veerkracht van de mens: ‘Je kunt hem nooit, met geen enkele mogelijkheid, gebieden om de moed op te geven. En daarin schuilt zijn vrijheid.’ Dat is een vorm van optimisme die we in het verdere werk van Hamilton niet meer zullen tegenkomen. Al in de volgende delen van de trilogie is er geen spoor meer van te bekennen.

In De zege van plezier, het tweede deel van de trilogie, wordt beschreven hoe Jenny in de prostitutie belandde. In deze korte roman uit 1934 wordt Jenny neergezet als een meisje dat het iedereen graag naar de zin maakt, maar altijd kiest voor de weg van de minste weerstand. Ze krijgt een baan als huishoudster bij een bejaard echtpaar met een inwonende zuster (een kleine gemeenschap die door Hamilton met nietsontziende ironie wordt neergezet en volgens zijn biograaf gebaseerd is op het huishouden van Hamiltons bejaarde ouders), maar meteen na haar eerste werkdag laat ze zich dronken voeren in een kroeg. Vervolgens kost het de man die de drank betaalt geen enkele moeite haar over te halen van carrière te veranderen.

In het laatste deel, De betonnen vlakten (1934), draait het om Bella, het barmeisje van de Midnight Bell. Ze is in stilte verliefd op Bob, maar wordt geconfronteerd met de avances van de heer Eccles, een wat potsierlijke, oudere man die met haar wil trouwen – voor zover ze iets begrijpt van zijn omslachtige wijze van uitdrukken. Ze moet niets van hem hebben, maar tegelijkertijd betekent een huwelijk met een man met geld de enige uitweg uit haar treurige bestaan als barmeisje. Ze kan kiezen – maar elke keuze brengt zijn eigen vorm van uitzichtloosheid met zich mee.

Veel thema’s uit Twintigduizend straten onder de hemel keren terug in het latere werk van Hamilton. De potsierlijke oudere man die een jongere vrouw kwelt, komen we weer tegen in de roman The Slaves of Solitude. De naïeve held die hopeloos verliefd wordt op een vrouw die hem niet ziet staan, duikt ook op in Hangover Square. Hopelijk worden ook deze twee romans, die nog beter zijn dan Twintigduizend straten onder de hemel, in het Nederlands vertaald. Als dat met dezelfde flair gebeurt waarmee Elles Theulen de vertaling van Twintigduizend straten heeft aangepakt, is dat wel iets om naar uit te kijken.

Het Londen dat Hamilton beschrijft, bestaat niet meer, maar dat betekent niet dat zijn werk gedateerd aandoet; niet voor niets wordt het steeds weer herontdekt. De worstelingen van Hamiltons helden spelen zich af tegen een decor van economische crisis en oorlogsdreiging, en die voortdurende onzekerheid op de achtergrond geeft zijn romans iets onheilspellends dat particuliere omstandigheden overstijgt en ook voor de huidige lezer herkenbaar is. Onzekerheid is van alle tijden.

Wat het werk van Hamilton verder zo goed maakt, is de mengeling van ironie, genadeloze analyse en mededogen waarmee Hamilton de worstelingen van zijn helden beschrijft. Die elementen zijn niet altijd met elkaar in evenwicht. In Twintigduizend straten onder de hemel is Hamiltons ironie wel eens te kluchtig, wat zich vooral uit in het gebruik van Veelbetekenende Hoofdletters. (Iemand heeft het over ‘De Stoutmoedige Ridders van Weleer’, een ander omschrijft een afgeladen bus als ‘Een Waar Sardineblik’.) Maar juist het gebrek aan evenwicht maakt het werk van Hamilton zo levendig. Hamilton is nu eenmaal geen schrijver van uitgebalanceerde romans waarin alle verhoudingen kloppen en alle woorden op de juiste plaats staan. Hij sleept zijn lezers mee naar de straten van Londen, naar de cafés en de pensions waar zijn kleine helden hun tijd en hun leven verspillen door elkaar en zichzelf te kwellen, en bij zijn enthousiaste rondleiding blijkt Hamilton gezegend met een goed oog voor menselijke zwakheden en een goed oor voor dialogen waarin vooral dingen níet worden gezegd.

Je zou kunnen aanvoeren dat het Hamilton ontbreekt aan literair raffinement en dat hij om die reden inderdaad als een ‘minor poet’ moet worden beschouwd, maar de kracht van het werk schuilt juist in Hamiltons directe aanpak. George Harvey Bone, de tragische held van Hangover Square, lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die ervoor zorgt dat hij zo nu en dan in een zombie-achtige trance terechtkomt. Telkens wanneer die verandering zich voltrekt, kondigt Hamilton dat aan met de prozaïsche mededeling ‘Click!’ Een zorgvuldiger of angstvalliger schrijver zou zo’n transformatie waarschijnlijk subtieler verwoorden en meer aan de lezer te raden overlaten. Hamilton geeft botweg het geluid van een schakelaar die wordt omgegooid – dat is tenslotte wat er in het hoofd van Bone gebeurt.

En niet elke schrijver zou het aandurven een roman te beëindigen met de larmoyante uitroep ‘God help us, God help all of us, every one, all of us’. Hamilton durft dat wel, het is de slotzin van The Slaves of Solitude (ook al geen subtiele titel). En hij komt er nog mee weg ook, sterker nog, nadat je negenentwintig hoofdstukken lang de belevenissen van de eenzame Miss Roach, de hoofdpersoon van de roman, hebt gevolgd, komt die zin aan als een hevig ontroerende mokerslag, die je ook bij herlezing telkens weer even doet slikken.

Dat die slotzin werkt, blijkt ook uit het feit dat hij door iedereen die over het boek schrijft, wordt geciteerd – van Doris Lessing en Michael Holroyd die voorwoorden bij herdrukken schreven tot de criticus van Vrij Nederland die een paar jaar geleden een heruitgave van het boek recenseerde; de biograaf van Hamilton besluit er zelfs zijn biografie mee.

De slotzin van The Slaves of Solitude kan dan ook worden beschouwd als het motto van het hele oeuvre van Hamilton – en het ironische is dan natuurlijk dat er in het universum van Hamilton (die zichzelf ooit ‘een militante atheïst’ noemde) in de verste verte geen God valt te bekennen. De hemel boven de twintigduizend straten is leeg. Hoop is ver te zoeken bij Hamilton, en geluk blijft beperkt tot die momenten van zelfbedrog waarop we ons voorhouden dat we aan het begin staan van iets goeds. Dat we nooit meer alleen zullen zijn en dat we na dit glas naar huis zullen gaan.

Dat je daar als lezer niet somber van wordt, komt door de compassie waarvan het werk van Hamilton ondanks alle ironie en meedogenloosheid is doortrokken. Het is niet de afstandelijke compassie van iemand die al zijn demonen heeft overwonnen, integendeel – en juist daaraan dankt het werk zijn vitaliteit.