Cabaret is niet alleen cabaret als er cabaret op staat

Is cabaret alleen cabaret als er cabaret op staat? Welnee, zelfs achter het etiket „een tweepersoons musical” kan een voorstelling schuilgaan die heel goed als cabaret kan worden betiteld. Ik heb het over Mijn leven als Theo Nijland, waarin de gelijknamige dichter-zanger zijn geringe faam bespot door zijn autobiografie te presenteren in de vorm van een parodistisch musicalstaketsel. Inclusief een medley van zijn „populairste nummers” en min of meer authentieke herinneringen in mono- en dialogen, waarbij alle tegenstemmen worden vertolkt door de energieke zanger en danser Juneoer Mers, die in alles het tegendeel is van de gedistingeerd ogende Nijland.

Dat klinkt nogal ingewikkeld, en dat is het ook. Op de beste momenten ontstaat er een intrigerend vlechtwerk van muziek en tekst met monkelende ironie en allerlei driedubbele bodems. Maar ook de twijfels die Nijland tijdens het schrijven moeten hebben bevangen, laten sporen achter in de voorstelling. Dan wordt de boel stilgezet omdat er opeens quasikomisch moet worden gediscussieerd over de vraag of Nijlands leven zich wel voor een musical leent. Ga maar na, zegt Mers: de musical Willeke flopte omdat de hoofdpersoon (Willeke Alberti) nog leefde – en dus kan een musical over de levende Theo Nijland ook nooit lukken. Hij zal eerst dood moeten.

Voordat die conclusie tot de dus verplichte sterfscène leidt, stuurt Nijland zijn tegenspeler echter van het toneel af om zelf nog wat liedjes te zingen. Hij doet dat mooi, in voornamelijk verstilde nummers met veel parlando en een schuchter soort poëzie in zinnetjes als „Ik ben een eiland / ik ben een heel eind zwemmen...” Maar van een musical – of zelfs van een parodie op een musical – is dan volstrekt geen sprake meer. Dan wordt het een solistisch liedjesprogramma zoals hij die al eerder heeft gemaakt. En die eerdere programma’s vielen moeiteloos in de categorie cabaret.

Zoals zijn vorige soloprogramma Masterclass. Dat zat, als ode aan „schoonheid en stilering”, heel wat hechter in elkaar dan het ietwat halfslachtige Mijn leven als Theo Nijland. Het bevatte bovendien het ultieme anti-musicallied Evita, dat nu node wordt gemist.

Nijland en Mers hebben deze zomer op de Parade al met veel succes een korte versie van hun voorstelling gespeeld. Compacter en daardoor misschien beter. Ze wonnen er zelfs de prijs voor de beste Parade-voorstelling van het jaar mee.

Maar toen die prijs nog niet bestond, vier jaar geleden, speelde Alex Klaasen ook al een musicalparodie op de Parade (en daarna helaas nooit meer in de reguliere theaters): Het betere werk, over een onuitstaanbare, zelfingenomen musicalster die, intens koket en zo vals als de pest, terugkeek op zijn carrière onder het leugenachtige motto: „God, wat is het snel gegaan, hè?” Heel wat malicieuzer, met een larmoyant nummer als Het kind in mij dat afkomstig heette te zijn uit een rockopera over een pedofiele badmeester, een stroperig liefdeslied „van mijn solo-cd” en veel andere hoogtepunten.

Die zou ik graag nog eens terugzien.