Aan zijn blauwdruk ontsnapt geen mens

Michiel Klein Nulent: De tram van half zeven. Contact, 208 blz. € 18,95.

Van de debutant Michiel Klein Nulent weten we niet meer dan wat er achterop zijn eerste boek staat. Geboren in Jutphaas (provincie Utrecht) in 1972. Afgestudeerd als fiscaal econoom. Werkzaam als financieel adviseur. Tussen de bedrijven door schreef hij De tram van half zeven, een roman over de eigenaar van een avond- en nachtwinkel in Amsterdam-West. De winkelier heeft een gemengde achtergrond: een Nederlandse moeder en een Turkse vader, die al voor zijn geboorte de benen nam. Als er iemand is die een financieel advies kan gebruiken, dan is het wel deze Osman, want zijn nering bevindt zich overduidelijk in zwaar weer.

Het betaalmiddel is hier de in 2002 ingevoerde euro, maar voor het overige lijkt deze roman zich veel eerder af te spelen. Er zijn geen verwijzingen naar de actualiteit en op een ontmoeting met enkele gewelddadige jongeren na, valt er weinig stadsgedruis te beluisteren. Misschien is tijdloos nog het beste woord voor dit onheilszwangere verhaal, dat het meer van de psychologie dan van grote gebeurtenissen moet hebben en meer van sfeer en suggestie dan van vaart of feit.

Steeds is er het motief van de zwijgzame, eenzelvige winkelier die zijn zaak vergeefs toonbaar probeert te houden met zijn bezem. Het is een mooi en aandoenlijk beeld. Uit de door muizen aangevreten pakken tarwebloem op de schappen dwarrelt onophoudelijk meel naar beneden. Hij noemt dat in gedachten ‘de strijd tegen het weglekkende meel’. Hij veegt het op, zeeft het en doet het vervolgens terug in de pakken, omdat hij zich ‘geen enkel onverzekerd verlies’ kan veroorloven.

Gaandeweg wordt duidelijk wat Osman zoal dwarszit. Er zijn schulden, hij krijgt bezoek van dreigende schuldeisers en hij mist zijn vrouw en zijn dochter, die bij een rijkere man zijn ingetrokken, – een man met een koopwoning en een zeilboot. Af en toe mag hij zijn dochter ontmoeten in het park, onder toezicht van haar moeder. Hij koestert de stille hoop dat hij hen kan terugwinnen als hij op een goede dag zijn droom verwezenlijkt: een eigen huis bouwen, van gevonden hout, ergens bij zee. Uit deze droom wordt hij opgeschrikt door de 16-jarige Isis, die op een late avond zijn winkel binnenwandelt. Ze blijkt van huis weggelopen te zijn, ‘weg uit het benepen Bloemendaal en het doodstille huis in de duinen’. Osman wil haar wegsturen, omdat hij niet gediend is van Lolita’s over de vloer en van de problemen die daarvan het gevolg kunnen zijn. Maar als ze blijft aandringen en ook nog gaat huilen, geeft hij zijn verzet op. Zijn ongenode gast neemt haar intrek in zijn slaapkamer, zodat hij op de bank moet slapen. ‘Onderdanigheid was zijn wezen. Doodziek werd hij ervan, maar aan zijn blauwdruk viel niet te ontkomen.’

Is dat nog wel aannemelijk? Osman is een man met een wel heel geringe eigendunk. Een geboren verliezer. Geen wonder dat hij vroeger, in het Friese dorp van zijn moeder, Rat werd genoemd en dat hij, als buitenbeentje, altijd en overal de schuld van kreeg. ‘Wie Rat werd genoemd droeg eindeloze verdenkingen met zich mee.’

Klein Nulent weet niet altijd goed maat te houden. We lezen dat Osman zich ‘een dikke zwarte min’ voelt, dat hij ‘verloren’ is, dat hij ‘niemand iets te bieden’ heeft, dat hij een vleermuis is, die alleen kan leven in duisternis en dat hij het gevoel heeft ‘bedolven te zijn onder onzichtbaar puin’.

Bijzonder is intussen dat Klein Nulink bij alle narigheid de toon droog en zelfs monter weet te houden. En dat hij de verhouding tussen de oude man (42) en het minderjarige meisje (16) in frisse, onbevangen woorden weet te vangen. Ze cirkelen om elkaar heen, maar overtreden de grens van wat je het incesteuze of pedofiele zou kunnen noemen, net niet.

Ze ontmoeten elkaar even, allebei op hun eigen manier op zoek naar een heus bestaan. In een week tijd maken ze van alles mee: geweldpleging en molest, hitte en stortregen, en een kort, maar heftig verblijf op het platteland. Daarna nemen ze afscheid. Het meisje zet haar ontdekkingsreis voort, naar zuidelijker oorden, met de tram van half zeven. En Osman blijft alleen achter met de brokken, al is er ook voor hem nog wel een perspectief. Ik weet niet of een financieel adviseur of fiscaal econoom er enthousiast van zou worden, maar Osman denkt over het openen van een koffiehuis voor nachtbrakers, ‘voor vleermuizen zoals hij’. Dat is het slotakkoord van deze voorzichtig optimistische debuutroman die zich met zijn fijnzinnige stijl weet los te zingen van de mistroostigheid die hij beschrijft.