Woensdag gehaktdag

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Wekelijks feuilleton

Een afspraak is een afspraak, en een Tafersiti komt altijd zijn woord na. Dat bedacht ik op een bankje in de haven van IJmuiden. Op de vragen die ik mijzelf stelde kwam maar geen antwoord: Wat betekende het om opgenomen te worden in een Nederlandse familie, en zou ik in dat geval wel een Tafersiti blijven? Ik besloot deze vragen voor later te bewaren; nu had ik een afspraak met mijn vriendin Jolanda en haar ouders.

Met de bos bloemen in mijn hand holde ik terug naar Jolanda’s huis. Ik trok mijn stropdas recht, bracht de scheiding in mijn haar in model en belde aan. Jolanda deed open in een blauw getailleerd jurkje. Haar blonde haren had ze opgestoken en haar lippen had ze rood gestift. Oog in oog met deze beeldschone vrouw vergat ik alle vragen.

„Waar was je nou, Driss,” zei Jolanda. „We wachten al een uur op je.”

„Sorry. Ik kon het huis niet vinden,” loog ik. „Maar we wonen bij je lerares mevrouw Van den Oever in de buurt.”

Ik haalde mijn schouders op. Een ander smoesje kon ik niet bedenken. „Ach, laat ook maar,” zei ze. Jolanda trok mij naar zich toe en gaf me snel een kus. „Dit kan straks niet meer,” fluisterde ze.

Ik volgde haar naar binnen en via de hal kwamen we in de huiskamer terecht. De vader van Jolanda zat op een grote lederen fauteuil. Haar moeder zat daarnaast op de bank met een haakwerkje op haar schoot.

„Kijk eens aan,” zei de vader. „Mohamed heeft de berg gevonden.” „Pappa!” riep Jolanda. „Niet zo flauw doen.”

Welke Mohamed heeft welke berg gevonden, vroeg ik me af.

De vader stond op en gaf me een hand. „Hendrik Tielemans. Henk voor vrienden, maar noem jij mij nog maar even meneer Tielemans.”

„Wat kan jij toch vervelend zijn, Henk,” zei Jolanda’s moeder en stond op. „Let maar niet op hem, Driss. Het is toch zo’n flauwerd.”Daarna gaf ze me een hand en zoende me op de wangen. „Noem mij maar gewoon Ria. Maar kom, laten we aan tafel gaan, het eten wordt koud.”

Meneer Tielemans en ik liepen naar de eethoek en gingen aan tafel. „Haal jij het eten Jolanda, dan kan ik deze prachtige bloemen van de Driss in een vaas zetten,” zei mevrouw Tielemans. „Vroeger kreeg ik dagelijks een bos bloemen van je, Henk.”

„Ja, toen hadden we verkering,” zei meneer Tielemans. Toen richtte hij zich tot mij: „Dat krijg je als je ze laat wennen aan die onzin. Dus houd gauw op met die gekkigheid.”

Ik wist niets te zeggen. De directheid van meneer Tielemans maakte mij verlegen. „Wat fijn om je te ontmoeten,” zei mevrouw Tielemans toen ze aanschoof. „We hebben al veel over je gehoord. Je komt uit Marokko, toch?” „Ja, Marokko,” antwoordde ik. „Dapper hoor, dat je helemaal in je eentje naar een vreemd land bent gekomen. Ik hoorde van Jolanda dat je perfect Nederlands spreekt en verstaat. Echt knap van je, Driss.”

„Spreek je ook IJmuidens, Dries?” zei meneer Tielemans. „Driss, spreek je het uit,” riep Jolanda vanuit de keuken. “Driss, niet Dries.” „Hoe lang werk je al in de haven?” vroeg mevrouw Tielemans.

„Twee jaar, mevrouw Tielemans.” „Ria,” zei mevrouw Tielemans. “Noem me toch Ria.”

„Wat doe je in de haven?” vroeg meneer Tielemans."„Ik ben scholstapelaar.” „Kijk eens aan, een harde werker. Ik werkte vroeger ook op een vissersboot, maar nu zit ik op kantoor bij een havenbedrijf. Heb je het naar je zin op de haven?”

„Ja, meneer.” „En ben je van plan om er net zolang te werken totdat je een grote, bonkige IJmuidense havenarbeider wordt, net als ik?”

„Ja, meneer.” „Goed zo, want mijn Jolandaatje verdient niets minder.”

„Wat een lieverd!” kirde mevrouw Tielemans. „Die Dries van jou, die deugt wel,” zei meneer Tielemans. Jolanda kwam de huiskamer binnen. In haar handen hield ze een rode braadpan vast. Gevuld met gehaktballen.