Toen bier nog heel gezond was

Geloof in de brouwerij. Opkomst, bloei en ondergang van bierbrouwerij De Gekroonde Valkauteur: Rolf van der WoudeUitgeverij Bas Lubberhuizen 2009 160 pag., 2009, 29,50 euro

Toen Abraham Kuyper in 1880 in Amsterdam zijn Vrije Universiteit opende, vloeide de alcohol rijkelijk. Dit verdroot de christelijke drankbestrijders. Maar Kuyper gaf geen krimp: „Bij den chocoladeketel en de water- en melkkaraf kweekt ge geen geslacht van kloeke calvinisten.” Deze uitspraak is vaak geciteerd ter verklaring van de soms uitbundige jeneverconsumptie onder gereformeerden.

Toch was het niet jenever, maar bier dat de gereformeerde zuil bouwde. De stichting van de Vrije Universiteit werd mogelijk werd gemaakt door de Amsterdamse biermagnaat Willem Hovy, eigenaar van brouwerij De Gekroonde Valk. Hovy, vriend en geestverwant van Abraham Kuyper, doneerde 25.000 gulden, een kwart van het startkapitaal dat nodig was voor de oprichting van de universiteit. Bovendien stelde hij zich garant voor de salarissen van de eerste (vijf) hoogleraren. Acht jaar eerder had hij al de oprichting van Kuypers antirevolutionaire dagblad De Standaard gesponsord.

Afgelopen dinsdag, op de 129ste dies natalis van de Vrije Universiteit, kreeg Hovy eindelijk de eer die hem toekomt. In het hoofdgebouw werd zijn borstbeeld onthuld. Bij die gelegenheid verscheen een met veel nostalgische foto’s en tekeningen geïllustreerd boek over de geschiedenis van zijn brouwerij van Rolf van der Woude, medewerker van de Historisch Documentatiecentrum voor het Protestantisme.

Brouwerij De Gekroonde Valk werd in 1733 gesticht door Jan van den Bosch Corneliszoon aan de huidige Hoogte Kadijk. In 1791 werd het bedrijf aangekocht door Jan Messchert van Vollenhoven, die het als een goede belegging zag. Bier was in die tijd een eerste levensbehoefte, een volksdrank en gezonder dan het water uit de gracht. Ook als exportproduct viel er goed aan te verdienen.

Willem Hovy (1840-1915), een telg uit de Van Vollenhoven-dynastie, kwam op 18-jarige leeftijd bij de brouwerij werken, die toen werd geleid door zijn oom. Willem had een technische opleiding gevolgd en deed het zo goed in het bedrijf dat de aandeelhouders hem in 1863 procuratiehouder maakten. Vanaf 1870 had hij alleen de leiding van het bedrijf, dat met 100 tot 150 medewerkers toen de grootste brouwerij van Nederland was. Hij transformeerde De Gekroonde Valk van een ambachtelijk bedrijf in een industriële onderneming. Hovy voerde telkens technische vernieuwingen door om de kwaliteit van het bier te verbeteren en de productie efficiënter te maken. Nadat Gerard Adriaan Heineken in 1863 brouwerij De Hooiberg had overgenomen en ‘Beiersch bier’ begon te produceren, bouwde Hovy een nieuwe fabriek om ook pils te produceren. Hovy bleef directeur tot 1912, toen hij op 72-jarige leeftijd terugtrad.

Hovy was een echte ‘maatschappelijke ondernemer’. Hij onderging al jong de invloed van het Réveil, een sociale beweging binnen de protestantse elite die veel aan filantropie deed. De Gekroonde Valk onderscheidde zich dan ook door een sociaal klimaat. Hovy betaalde de meeste arbeiders een vast loon in plaats van stukloon. Op zondag lag het bedrijf stil. Op christelijke feestdagen ook, waarbij het loon werd doorbetaald. De werkweek werd geopend met een bijbeloverdenking.

Hovy richtte verder een pensioenfonds op, zodat werknemers met 65 konden stoppen. En er kwam een steunfonds voor weduwen en wezen en arbeidsongeschikten. Lidmaatschap ervan was verplicht, met inhouding van 2 procent van het loon. De werkgever verdubbelde het ingelegde bedrag. Hovy stimuleerde inkoopcorporaties, was betrokken bij de oprichting van Patrimonium en bouwde 62 arbeiderswoningen plus een koffiehuis in de Czaar Peterstraat.

Aanvankelijk schaarde Hovy zich zelfs met overtuiging achter de strijd tegen drankmisbruik. Bier werd in de negentiende eeuw nog beschouwd als een gezond alternatief voor jenever, „want aanbevolen door tal van geneeskundigen in Nederland, Frankrijk en België, voor zwakken, bloedarmen, maaglijders en zogenden”. Maar toen zijn vriend Abraham Kuyper, inmiddels premier en minister van Binnenlandse Zaken, in 1901 de drankwet echter verscherpte ten koste van de bierconsumptie, sprak Hovy, inmiddels voor de ARP lid van de Eerste Kamer, van een „akelige wet”.

Uiteindelijk heeft De Gekroonde Valk de concurrentie niet overleefd. De onderneming was sterk afhankelijk van de export. Daardoor had ze zwaar te lijden van achtereenvolgens de Eerste Wereldoorlog, de economische crisis en het vasthouden aan de gouden standaard. Kort na de Tweede Wereldoorlog werd het bedrijf overgenomen door Heineken.