Spreek het kabinet niet op alle prinsen aan

Onder de huidige regeling is het onduidelijk voor welk lid van de koninklijke familie de regering al dan niet verantwoordelijk is, stelt Douwe Jan Elzinga.

Het project van Willem-Alexander in Mozambique en het postadres op paleis Noordeinde van prinses Christina hebben geleid tot vragen in de Kamer. Een belangrijke vraag daarbij is: waarom kan de Kamer Balkenende voor deze kwesties ter verantwoording roepen?

Voor ministers-presidenten is het Koninklijk Huis geen gemakkelijk dossier. Gezien de positie van de koningin moet de premier op eieren lopen. In de omringende landen met een monarchie wordt met deze materie geheel anders omgegaan.

Neem België. In 2000 haalde prins Laurent, het derde kind van koning Albert en koningin Paola, in het tijdschrift Arbeid en Milieu hard uit naar het winstbejag van bedrijven als Renault en 3M in België. Maar de toenmalige premier Guy Verhofstadt ging in het parlement niet in op Kamervragen en omdat, naar Belgisch staatsrecht, alleen het doen en laten van het staatshoofd onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt, niet van de prinsen.

Kan de Belgische regeling als voorbeeld voor Nederland dienen? Het vraagstuk werd in 1964 actueel door het huwelijk van prinses Irene. De politieke mastodonten Drees en Oud werden opgetrommeld om hier plooien glad te strijken. Irene gaf haar lidmaatschap van het Koninklijk Huis op door zonder toestemming van de Staten-Generaal in het huwelijk te treden. Later volgde Christina haar voorbeeld, evenals Friso, zoon van koningin Beatrix en twee zonen van prinses Margriet.

Ondertussen was een discussie op gang gekomen over de omvang van het Koninklijk Huis. Het belangrijkste motief daarvoor was een beperking van de ministeriële verantwoordelijkheid, omdat deze onbeheersbaar dreigde te worden. Het duurde echter twintig jaar voordat in een wettelijke regeling werd voorzien, vooral vanwege de vrees voor het ontstaan van A- en B-prinsen. Ook deze regeling uit 1985 – met aanpassing in 2002 – spaarde de kool en de geit. Zo werd bepaald dat de kinderen van Margriet en Pieter van Vollenhoven de status als lid van het Koninklijk Huis zouden behouden, maar dat zij bij het aantreden van Willem Alexander als koning deze status zouden verliezen.

Uitdrukkelijk werd vastgesteld dat het lidmaatschap van het Koninklijk Huis met zich meebrengt dat er ministeriële verantwoordelijkheid is. Buitengewoon complicerend was echter de mededeling van de regering dat er ook een soort ministeriële verantwoordelijkheid zou kunnen bestaan voor andere leden van de koninklijke familie. In de Margarita-affaire in 2003 werd hier door de regering nog weer een opening voor geboden. Het resultaat is dat de mistige context van de ministeriële verantwoordelijkheid blijft voortduren. De vraag blijft: verdient het Belgische voorbeeld navolging?

Er zijn redenen om dat niet te doen. De belangrijkste is de Nederlandse traditie om andere leden van het Koninklijk Huis meer of minder intensief te betrekken bij de uitoefening van de koninklijke functie. Voor de troonopvolger en echtgenoot geldt dat, maar onder omstandigheden ook voor anderen. Dit wordt afgestemd met de premier en de Rijksvoorlichtingsdienst. Alleen al die afstemming is een activering van de ministeriële verantwoordelijkheid. Daarom zou het merkwaardig zijn als het parlement daarover geen vragen mag stellen.

Het ligt dan ook voor de hand dat er ministeriële verantwoordelijkheid bestaat voor een beperkt aantal leden van het Koninklijk Huis. Lid van het Koninklijk Huis zouden moeten zijn de echtgenoot van de koning, de troonopvolger en echtgenoot en het afgetreden staatshoofd en echtgenoot.

Voor overige leden van de koninklijke familie kan het lidmaatschap tot stand komen door een Koninklijk Besluit indien ook daadwerkelijk een functionele bijdrage wordt geleverd. In- en uittreding moeten worden vergemakkelijkt via een eenvoudige rekestprocedure.

Een einde moet worden gemaakt aan de volslagen ouderwetse regeling waarbij via het niet-vragen van toestemming tot een huwelijk aan het lidmaatschap een einde kan komen. Uitoefening van maatschappelijke functies moet samen kunnen gaan met een eenvoudige beëindiging van het lidmaatschap van het Koninklijk Huis. Voor Pieter van Vollenhoven geldt bijvoorbeeld dat zijn lidmaatschap van het Koninklijk Huis vragen oproept over zijn rol bij onderzoek van rampen en zijn daaruit voortvloeiende kritiek op het beleid van ministers. Voor Van Vollenhoven is er weliswaar een plooi gevonden, maar er is maar weinig voor nodig om dat evenwicht wankel te maken.

Klip en klaar moet ten slotte worden vastgesteld dat voor leden van de koninklijke familie, die geen lid zijn van het Koninklijk Huis, geen ministeriële verantwoordelijkheid bestaat.

Douwe Jan Elzinga is hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen.