Realisme in bewaring

In Spanbroek, een kleine gemeente ten noordwesten van Hoorn, reden de vrachtwagens van de deurwaarder voor bij het museum van Dirk Scheringa. Zijn kunstwerken op zaal werden ’s nachts meegenomen, op het werk in het depot werd beslag gelegd. Het was grof, maar snelheid was geboden. Schuldeiser ABN Amro vreesde achter het net te vissen.

De kunstverzamelaar Scheringa is zo verdwenen achter de zakenman Scheringa. Nu die zakenman failliet gaat, vertegenwoordigen zijn schilderijen, fotowerken, tekeningen, alleen nog een financieel belang. Die andere, onstoffelijke waarde van deze kunst, uit te drukken in de ervaring die kunst biedt, is tot nul gereduceerd.

Dat is des te zuurder in het besef dat Scheringa zijn collectie in onderpand gaf voor de hypotheek op de bouw van een groter, in 2010 te openen, museum in het naburige dorp Opmeer. Door zijn handelswijze dreigt dat een spookmuseum te worden, onvoltooid en inhoudsloos.

Het begon met de kunstverzameling van Scheringa en zijn echtgenote. Ze kochten werk van Carel Willink en ontdekten andere magisch-realistische kunstenaars, van wie ze ook werk kochten. Omdat het echtpaar het genoegen van hun uitdijende verzameling wilde delen, kwam er een museum in een afgedankt schoolgebouw in de buurt van hun woning.

Dat de toen 26 jaar jonge Emily Ansenk werd geëngageerd als directrice leek op overmoed. Maar Ansenk bleek een neus te hebben voor een collectie als deze en ze stond sterk genoeg om de smaak van de Scheringa’s te sturen. Toen ze na ruim twaalf jaar afscheid nam van wat intussen het Scheringa Museum voor Realisme heette, kon dat bogen op een samenhangende collectie, met werk van Charley Toorop tot Rineke Dijkstra, van Dick Ket tot Lucian Freud tot Erwin Olaf. Allemaal kunstenaars wier werk in allerlei musea te zien is, maar niet in deze constellatie van het realisme – want dat doen andere musea doorgaans af als behoudzuchtig en kunsthistorisch onvoldoende vernieuwend.

Het Scheringa Museum trekt zo’n 60.0000 bezoekers per jaar. Dat is veel. Het vergelijkbare museum De Buitenplaats in Eelde trok (in 2007) 30.000 bezoekers, Museum Beelden aan Zee in Scheveningen 50.000 (in 2008).

Als het even kan moet het museum behouden blijven, met deze collectie en juist in Noord-Holland, een provincie waar de musea geconcentreerd zijn in één of twee steden. In dat licht lijkt het verspilling om het nieuwe museum in Opmeer braak te laten liggen.

Omdat ABN Amro zelf een vermaarde kunstcollectie bezit, mag respect worden verwacht voor de niet in geld uit te drukken waarde van kunst. De bank kondigde gelukkig aan niet direct tot opdelen en veiling over te gaan, maar te willen onderhandelen over het voldoen van de lening, wat dan weer zou kunnen leiden tot retourneren van de collectie.

Maar waarom zou de bank in afwachting daarvan niet een keuze uit de verzameling in bruikleen kunnen geven aan Noord-Holland, eerst in Spanbroek, dan in Opmeer? Voor een museum voor realisme, inderdaad.