Onzekere tijden maken de mensen kerkelijker

Hoe hoger opgeleid mensen zijn, hoe minder religieus – dat was de theorie. Maar die gaat toch niet op, blijkt uit onderzoek in 60 landen. Economische zekerheid maakt wél minder religieus.

Atheïstische geleerden roepen het van de daken: iemand die heeft doorgeleerd heeft niets te zoeken in de kerk. En veel Europese sociologen zien in een stijgend opleidingsniveau dé verklaring voor lege kerkgebouwen. Maar twee Nederlandse collega’s spreken dit nu tegen: Stijn Ruiter, senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), en Frank van Tubergen, hoogleraar sociologie in Utrecht.

Zij vergeleken ‘religieuze participatie’ in zestig landen en vonden geen noemenswaardig opleidingseffect. Grote invloed hebben bestaansonzekerheid en de omgeving waarin mensen opgroeien. De resultaten van het onderzoek verschijnen volgende maand in het American Journal of Sociology.

In het religiedebat bestaan twee kampen. De meeste Europese godsdienstsociologen zijn van mening dat modernisering leidt tot secularisering. Maar de bedenker van die theorie, de Amerikaan Peter Berger, kwam daar later op terug. De Verenigde Staten laten immers zien dat een economisch ontwikkelde samenleving met een hoog opleidingsniveau heel religieus kan zijn.

Amerikaanse wetenschappers kwamen vervolgens met de religieuze markttheorie. Die houdt in dat minimale regulering van religie en maximale concurrentie tussen kerkgenootschappen zorgen voor aantrekkelijker ‘producten’. De kakofonie van evangelisten en de radicale scheiding tussen kerk en staat zouden de veerkracht verklaren van religieus Amerika.

Ruiter en Van Tubergen kiezen geen partij in dit debat. Zij toetsten elementen van beide theorieën voor zestig landen die zijn opgenomen in het World Values Survey. Van de markttheorie onderzochten ze het denkbeeld dat meer staatsregulering van religie leidt tot minder kerkbezoek. Modernisering, het centrale begrip uit de andere theorie, ontleedden ze in drie elementen: modernisering van het wereldbeeld (door een hoger opleidingsniveau), economische zekerheden (inkomen en inkomenszekerheid) en veranderingen in sociale relaties door verstedelijking en individualisering. Ze gebruikten kerkbezoek als maat van religiositeit.

Regulering van religie door de staat blijkt over de hele steekproef genomen te leiden tot minder kerkgang. Daarnaast zien de wetenschappers de uitkomst van hun onderzoek als een gedeeltelijke bevestiging van de moderniseringstheorie. Gedeeltelijk, want aanhangers daarvan schrijven secularisering toe aan een wetenschappelijk wereldbeeld, en dat blijkt, verrassend genoeg, niet op te gaan.

Van Tubergen: „Hoger opgeleiden gaan meer af op feiten, minder op geloofsopvattingen die je niet kunt bewijzen of die aantoonbaar onwaar zijn. Tenminste, dat is de theorie. Maar we zien dat nergens terug in ons onderzoek naar kerkgang. Waarom niet? Dat hebben we niet onderzocht, maar we hebben wel een vermoeden. Uit ander onderzoek is gebleken dat hoog opgeleiden wel degelijk minder gelovig zijn. Tegelijkertijd zijn ze vaker actief in politieke partijen, in verenigingen en dus ook in kerkgenootschappen. Lager opgeleiden zijn geloviger, maar minder actief. Onder hoog opgeleide gelovigen gaan meer mensen naar de kerk dan onder laag opgeleide.”

De twee andere elementen van modernisering blijken wél veel te verklaren: economische (on)zekerheid en de aard van sociale relaties. Van Tubergen: „Economische onzekerheid heeft enorme effecten op kerkbezoek. In landen waar grote sociaal-economische ongelijkheid bestaat, gaan ook de rijken vaker naar de kerk, want ook zij kunnen morgen alles verliezen. Dat blijkt wel uit de dramatische verhalen over Enron en Lehman Brothers.” Ook mensen die als kind een oorlog hebben meegemaakt, blijken dertig jaar later nog vaker naar de kerk te gaan.

Religiositeit wordt verder sterk beïnvloed door de sociale omgeving. Van Tubergen: „Er moeten ouders, buren of dorpsgenoten zijn die zeggen: ‘kom mee’, of ‘waarom heb ik je zondag niet in de kerk gezien?’ Van grote invloed is ook of je vrienden gelovig zijn, wat je leraar zegt of wat je toekomstige partner vindt. Mensen die opgroeien in een zeer religieuze omgeving blijven vaak religieus.”

Maar er zijn veranderingen die dat patroon doorkruisen, zoals verhuizen naar de stad en, als gevolg daarvan, afnemende sociale controle. Ruiter: „Mensen die dat doen, hebben een grotere kans los te raken van de religie. Aan de andere kant zijn religieuze gemeenschappen vaak gesloten, vliegen de kinderen niet zo ver uit, en blijven ze in de gemeenschap.”

Het onderzoek verklaart tenminste twee voorbeelden van toegenomen of blijvende religiositeit onder omstandigheden van modernisering: Oost-Europa en de Verenigde Staten. In Oost-Europazijn de beperkingen van staatswege voor religie verdwenen. Ook heeft de overgang naar een kapitalistische volkshuishouding de economische onzekerheid vergroot – werkloosheid en criminaliteit nemen toe. Dus stromen de kerken de laatste twintig jaar weer vol.

De VS, tenslotte, blijken geen uitzondering. Ruiter: „De VS zijn lang beschouwd als een speciaal geval. Een ontwikkeld land dat wetenschappelijk voorop loopt, en toch o zo religieus. Maar men keek niet naar de onzekerheden als gevolg van de grote sociaal-economische ongelijkheid. Je kunt in de VS heel snel de maatschappelijke ladder beklimmen, maar je kunt er ook heel hard af vallen.”

Van Tubergen: „Omgekeerd verklaart dit verband tussen onzekerheid en religiositeit ook waarom de kerken in Nederland zijn leeggelopen. Als gevolg van de verzorgingsstaat bestaan er immers grote zekerheden buiten de muren van de kerk. Het zou interessant zijn om te onderzoeken welke gevolgen de huidige economische crisis heeft voor het kerkbezoek.”