Onderhandelen met een kippenhok

In de laatste dagen van 1973 kwam in Kopenhagen de top bijeen van wat toen de Europese Gemeenschap heette. Die top produceerde een verklaring over de ‘Europese identiteit’. Zij was – wat te verwachten was wanneer politici en ambtenaren zich wagen aan een intellectuele exercitie – een allegaartje van grootspraak, holheid en innerlijke tegenspraak. Er is dan ook nooit meer iets over vernomen.

Daarover zullen we het dus niet hebben. Belangrijker is dat de Deense minister van Buitenlandse Zaken (zijn land was toen voorzitter van de EG) de opdracht kreeg het stuk aan zijn Amerikaanse collega, Henry Kissinger, te overhandigen. Die had immers 1973 uitgeroepen tot „het jaar van Europa”. Maar al in de herfst van dat jaar had een Arabische olieboycot, waarvan de VS, Nederland en Portugal het slachtoffer waren, de Atlantische en Europese solidariteit onder grote druk gezet.

Kissinger was niet onder de indruk van de Kopenhaagse verklaring en vroeg zijn Deense bezoeker – die hij zich later zou herinneren als „de een of andere Deen” – of deze gemachtigd was erover te onderhandelen. Dat bleek niet zo. Dan zou de eurotop weer bijeen moeten komen en het eens worden over eventuele amendementen. Kissingers belangsteling daalde onder het nulpunt.

Wat leert ons die episode? Dat Europa alleen gehoor vindt bij landen als de VS als het zich laat vertegenwoordigen door een man van enig gezag, liefst uit een groot land, en niet door „een of andere Deen”. President Sarkozy kon in augustus 2008, tijdens de Georgische crisis, alleen gehoor vinden bij Poetin omdat hij president van Frankrijk was en niet omdat hij toen ook voorzitter van de Europese Unie was. Een Deense of Nederlandse voorzitter zou dat minder gauw hebben gekregen.

Dit is niet onbelangrijk te weten, nu de EU, als de Tsjechische president eenmaal zijn handtekening onder het Verdrag van Lissabon zal hebben gezet, het eens moet worden over wie haar vaste president en wie haar ‘minister van Buitenlandse Zaken’ zal worden. Wat de eerste functie betreft is de keus tussen, zoals The Economist op 10 oktober schreef, „de gebruikelijke europygmeeën” en Tony Blair, die tussen 1997 en 2007 Brits premier was.

Onder de „gebruikelijke europygmeeën” die genoemd worden – het Londense weekblad kan nauwelijks zijn dédain verhelen – behoort onze minister-president. Althans: hij wordt genoemd, maar misschien alleen in het Haagse en Brusselse journalistieke circuit. Hoewel: ook bondskanselier Merkel schijnt haar Nederlandse partijgenoot een geschikte kandidaat te vinden.

Laten we het niet hebben over de merites van Jan Peter Balkenende. (The Economist noemt hem een „sobere conservatief”.) Hij schijnt bij zijn buitenlandse collega’s in hoger aanzien te staan dan bij de spraakmakende gemeente in eigen land. Maar intussen zullen de in Den Haag geaccrediteerde ambassadeurs wel naar huis hebben gerapporteerd over zijn gestuntel bij de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer. De klachten over zijn gebrek aan regie zullen ook wel niet onvermeld zijn gebleven.

Maar het is heel wel mogelijk dat de grotere Europese mogendheden liever een stuntelaar uit een klein land als president hebben dan iemand met gezag, die dit ook wil laten gelden. Een president als Blair zou wel eens eigen ideeën kunnen hebben en zich minder gemakkelijk schikken naar de wensen van de Sarkozys, de Merkels of zelfs de Browns.

En zowaar, Sarkozy heeft intussen laten weten dat hij zijn handen aftrekt van Blair. Dat betekent, zei oud-minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot zondag in Buitenhof, dat nu van Engeland niet verwacht kan worden dat het een Franse kandidaat steunt. Een Duitse president lijkt vooralsnog moeilijk te slikken voor Frankrijk (en sommige andere leden), wat betekent dat de weg vrij is voor een of andere „europygmee”.

Het gevolg daarvan zou zijn dat de EU zich dan moeilijker zou kunnen ontplooien als een belangrijke speler op het politieke wereldtoneel, wat haar ambitie is. Meent zij het ernstig met die ambitie, dan zou zij niet met iemand voor de dag moeten komen die door gesprekspartners als de VS, China en Rusland, terecht of ten onrechte, nauwelijks ernstig genomen wordt.

Maar ook een ‘zonnekoning’ zoals de beoogde president aanvankelijk door de kleinen werd betiteld, zou een moeilijke taak hebben. Zijn bevoegdheden worden in het Verdrag van Lissabon vaag omschreven, in tegenstelling tot die van de ‘minister van Buitenlandse Zaken’, die een flink budget krijgt en een eigen diplomatiek corps. Territoriumgevechten lijken onvermijdelijk. En dan hebben we het nog niet eens over hun verhouding tot de voorzitter van de Europese Commissie (nu Barroso). Belgisch oud-minister van Buitenlandse Zaken De Gucht noemde dit een „systeemfout” in het verdrag.

Toen Bot in Buitenhof zei dat de president „het hoofd, het gezicht van Europa” zou zijn, moest hij er onmiddellijk aan toevoegen: „naast Barroso”. Met andere woorden: Europa krijgt op z’n minst twee gezichten, een Januskop dus. Dat moet tot verwarring leiden – in Europa zelf en in de rest van de wereld.

Even belangrijk is wat Bot ook zei: „de besluiten worden genomen door de lidstaten”. Dat betekent dat de ‘president van Europa’ voor elk voorstel of elke concessie die hij in zijn onderhandelingen wil doen, zeker moet zijn van de goedkeuring van 27 lidstaten. Dat verzwakt zijn positie, want niemand is erin geïnteresseerd te onderhandelen met een kippenhok. Het maakt dan ook niet veel uit of de president van dat kippenhok zelf uit een groot of een klein land komt.

Wilt u reageren? U kunt de auteur mailen via dezerdagen@nrc.nl of online reageren op nrc.nl/heldring