Ik kan jou een stuk hart serveren dat je fantastisch zal vinden

Vanaf het moment dat ik restaurant Fifteen binnenloop, voel ik me een fraudeur. Samen met de culinaire pers van Nederland wacht ik op een perslunch ter ere van Jamie Olivers nieuwste boek.

Ondertussen heb ik het gevoel dat men de oploskoffie-aanslag op mijn tanden kan zien, de Brinta in mijn adem zal ruiken en dat de lucht van kartonnenpakken-wijn uit mijn poriën opstijgt. Mijn culinair hoogtepunt valt in één woord te omschrijven (dok-teroetkermozzarellapizza), ik denk dat pannacotta Italiaans is voor ovenwant en ik reken magnetronpoffertjes tot een van de betere uitvindingen van de eenentwintigste eeuw. Ik eet geen vlees, en wat ik het allermeeste mis is de kroket. O, kroket. Met je verleidelijke goudbruine glans en je gekruide orgaanvleespuree. Ik mis je zo. Ik mis je zo.

Jamie’s nieuwste boek gaat over Amerika. Geen corndogs of latte-with-sprinkles-on-the-side, maar cowboy-eten en gerechten met verschillende etnische invloeden.

„Amerika is soms meer Chinees dan China, meer Brits dan Engeland”, legt hij uit. We krijgen Waldorf-salade, cajun witvis en cheesecake geserveerd, en het is allemaal heerlijk.

Toch begin ik met steeds meer moeite te eten. Ik mag namelijk straks Jamie interviewen. Vijf minuten lang. En naast het feit dat hij beroemd en vrij charmant is, ben ik bovendien een fraudeur. Wat kan ik tegen hem zeggen? ‘I liked your cajunfish better than microwaved-poffertjes?’

Voordat ik naar de persruimte loop, bedenk ik: de kroket is mijn redding. Daar ligt onze gezamenlijke passie. Orgaanvlees. Jamie vertelde dat hij van de Amerikaanse cowboys leerde om de hele stier op te eten – inclusief de ballen. Diepblozend van de zenuwen en op het puntje van mijn stoel stel ik mijn eerste vraag: „Moet er een orgaanvleesrevolutie komen?” Jamie lacht. „Zeker. Maar mensen zijn... fussy. Ze zijn bang van organen. Echte chefs zullen het altijd gebruiken, want het is ethisch én heerlijk. Hart, nier, lever, maar ook long, dungesneden en met kruiden gekookt, bijvoorbeeld op polenta. Veertig procent van het vlees wordt weggegooid. Dat is verschrikkelijk zonde.”

Ik ben het heftig met hem eens en knik. „En wat is je lievelingsorgaan?” Hij kijkt me recht aan. „Ik kan jou een stuk hart serveren dat je fantastisch zal vinden.” (Hier verspil ik een minuut interviewtijd omdat ik bijna flauwval.) „Maar een orgaanrevolutie is een goed idee”, zegt hij.

Ik beloof hem plechtig mijn medewerking, en we geven elkaar een hand. „Maar ik ben niet per se voor genitaliën”, zegt hij dan. „I don’t like cock.” „En kroketten?” vraag ik. „Die wel.”

En zo ben ik opeens fraudeur-af. De kroket is mijn redding. De kroket is altijd mijn redding geweest. Ik mis je zo.