‘Heb jij naakt rond een vuur gedanst en Beëlzebub aangeroepen?’

H et is voor het ‘noorden’ en ‘midden’ van het land alweer bijna de laatste dag van de herfstvakantie, en dat vroeg om een uitje. Het liefst een uitje met kleffe boterhammen in boterhamzakjes, kartonnen pakjes appelsap en een blikje harde snoepjes waar een soort suikersneeuw op ligt. Jammer genoeg was het uitje niet naar 1993, dus ging ik maar gewoon naar The Amsterdam Dungeon.

The Amsterdam Dungeon is een soort spookhuis op het Rokin. De borden bij de ingang beloven dat je mee zal worden genomen naar het griezelige gedeelte van de Nederlandse geschiedenis: de pest, de VOC en iets wat de Council of Blood heet. Bovendien is het met ‘angstaanjagende acteurs’, wat doet vermoeden dat men op zijn angstaanjagendheid gecast is, wat weer doet vermoeden dat ik het hier erg leuk zal gaan vinden. En de mogelijkheid dat een VOC-officier iets zegt als: „Ik vind scheurbuik echt totaal niet oké” is waarschijnlijk ook best aanwezig.

Met een groep giebelende mensen – sommigen toerist, sommigen Nederlands – staan we in een donkere gang te wachten tot het begint, terwijl op een scherm spookachtige figuren griezelige dingen zeggen als: „Je moet je mobiele telefoon uitzetten. NU!” Als we eenmaal mogen doorlopen gebeurt dat hortend en stotend, zoals groepen afwachtende mensen dat doen. Tot dit punt lijkt de Dungeon meer de horror van de bio-industrie te verbeelden.

Maar dan krijgen we eindelijk ons rollenspel, en jawel: het is participerend. Iedereen wil ter plekke onzichtbaar zijn. Een in donker gewaad gehulde beul pikt huisvader Mark uit om hem op een martelstoel voor de hele groep zijn tong te laten uitsteken, een tang in de hand. In een volgende ruimte wordt een meisje uitgekozen, dat langzaam naar de beklaagdenbank loopt. „Kom op, boe haar uit”, roept de inquisiteur. „Ze is een heks!” De groep lacht even, maar roept dan: „boeoeoeoe”. „Fuck you!”, roept het vriendje van het meisje kwaad.

Met grote ogen kijk ik naar het meisje, dat wat schor zegt dat ze geen heks is. En daar ligt de ware angst in dit spookhuis: de angst voor vernedering. De beul is niet eng, maar het vooruitzicht om voor al deze mensen mee te moeten doen aan een genant rollenspel, en een geinig antwoord klaarhebben op vragen als: „Heb jij naakt rond een vuur gedanst en Beëlzebub aangeroepen?”, is des te enger.

Skeletten, afgehakte handen, een Efteling-achtige pestlijdende pop die een straal bloed in een emmertje spuwt, mannen in juten drollenvangers – alles is lieflijk vergeleken met groepsparticipatie.

Ik hou me stil en verschuil me achter een besnorde Fransman. Ik kom ongeschonden de Dungeon uit.