Een advocaat vertrouwt zijn telefoon niet meer

Telefoontjes tussen verdachte en advocaat zijn geheim. Maar toch luistert de politie ze af, en het OM beoordeelt of ze vernietigd moeten worden. „Dat wringt.”

Advocaat John Crepin neemt nooit meer zonder argwaan de telefoon op. Als advocaat moet hij vrijelijk met zijn cliënten kunnen bellen, dat hoort zo in een rechtsstaat. Maar Crepin vraagt zich sinds 2005 altijd af of er iemand meeluistert.

Zijn wantrouwen dateert van 22 juni van dat jaar. Het is even na twaalven als hij op die zomerse woensdag telefonisch afspreekt met zijn cliënt Ranjit S. Hij zou zich om half twee melden. Maar in plaats van Ranjit komt zijn vriendin. Ze vertelt huilend hoe haar vriend is gearresteerd om de hoek bij het advocatenkantoor van Crepin in Rotterdam-Zuid.

Toeval? Crepin weet het niet. Als hij drie dagen later het dossier van zijn cliënt onder ogen krijgt, groeit zijn twijfel. Ranjits telefoon is afgeluisterd, zo blijkt. Maar in de stukken ontbreken alle gesprekken van die dag. „Ik heb meteen verzocht om inzage in alle afgeluisterde telefoongesprekken”, vertelt Crepin in zijn kantoor.

Drie weken later is de schok groot als Crepin dit telefoongesprek in het dossier terugvindt:

Ranjit S.: „Ik wou graag een afspraak met u maken voor vandaag als dat zou kunnen.

Crepin: „Ik denk niet dat dat... gaat lukken. Maar vertel eerst eens even wat voor probleem u heeft.”

Ranjit S.: „Ik zou dat liever niet graag over de telefoon zeggen.”

Crepin: „Nee, maar voor de duidelijkheid. Ik moet dat vragen.”

Ranjit S. „Zeg maar drugs en wapens.”

Crepin: „En is het zo dat u daarin verdacht bent?”

Ranjit S.: „Nou, ze hebben een inval in mijn huis gedaan. Ze hebben zeg maar 100 gram coke gevonden en een vuurwapen en cash geld.”

Crepin: „En u bent niet gearresteerd toen.”

Ranjit: „Ik was niet thuis en ze hebben tegen mijn moeder gezegd dat ik me direct moest melden.”

Crepin: „U heeft geen dagvaarding gekregen?”

Ranjit S.: „Nee.”

Crepin: „Eens even kijken in mijn agenda. Half twee zou nog effe kunnen.”

Ranjit S.: „ Ik ben er.”

Advocaat Crepin is nog boos: justitie en politie hebben een belangrijk element van het Nederlandse rechtstelsel geschonden: het vrije contact tussen advocaat en cliënt. „Dit soort gesprekken moet worden vernietigd, dat staat in de wet.” Nederland is wereldwijd koploper afluisteren. Het gebeurt regelmatig dat gesprekken tussen advocaat en cliënt worden afgeluisterd. Omdat die gesprekken geheim zijn – het recht op vertrouwelijk overleg met een advocaat is een van de pijlers van de rechtsstaat – moeten deze zogeheten geheimhoudersgesprekken worden vernietigd. Maar dat gaat nogal eens mis. Dat kwam eind 2007 aan het licht tijdens een grote strafzaak tegen de Hells Angels. Het Openbaar Ministerie moest de vervolging van een groep verdachte leden van de motorbende staken omdat een groot aantal geheimhoudersgesprekken niet was vernietigd. Hoewel de Hells Angels veel meer aandacht kregen dan de zaak van John Crepin, belandde zijn zaak bij de Hoge Raad.

Terug naar 2005. Als Crepin ziet wat er in de zaak van Ranjit fout is gegaan, schakelt hij meteen een tweede advocaat in. „Ik vond dat ik te emotioneel betrokken was. Ik was immers ook afgeluisterd. En daarom heb ik aan mijn Rotterdamse collega Frank van Ardenne gevraagd om me bij te staan.”

Van Ardenne had ervaring. Hij was betrokken bij twee veelbesproken zaken waarbij gesprekken tussen advocaten en verdachten niet werden vernietigd: een heroïnezaak in Almelo uit 2001 en de Haagse gasexplosiezaak uit 2003.

Het probleem met afgeluisterde geheimhoudersgesprekken speelt sinds 2000, zegt Van Ardenne. „Dat heeft te maken met de invoering van de Wet op de bijzondere opsporingsbevoegdheden. Daardoor verschoven taken en bevoegdheden van de rechter-commissaris naar de officier van justitie. Het beoordelen en vernietigen van geheimhoudersgesprekken was een van die taken.”

Net als bij het Hells Angelsproces leidde de heroïnezaak in Almelo indertijd tot grote commotie. De tapkamers van de politie werden gecentraliseerd en er kwam een digitaal systeem voor het afluisteren van telefoons. Bovendien stelde het OM een nieuw protocol in voor het vernietigen van geheimhoudersgesprekken.

Voor de Orde van Advocaten en de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (NVSA) was dat niet genoeg. „Ook in dat nieuwe protocol bleef de officier van justitie belast met het beoordelen van getapte telefoongesprekken tussen advocaten en hun cliënten”, zegt Taru Spronken, hoogleraar strafrecht in Maastricht. Spronken voert namens de NVSA een procedure tegen de Staat. In eerste instantie besliste de rechtbank dat de zaaksofficier en de betrokken politieagenten deze beoordeling niet mogen maken. Zowel de staat als de NVSA ging in hoger beroep, dat nog steeds loopt. Spronken: „We hebben de positie van de officier van justitie altijd een probleem gevonden. De persoon die verantwoordelijk is voor de vervolging, neemt kennis van informatie waarvan in de wet nu juist is geregeld dat die vertrouwelijk is. Dat wringt.”

John Crepin merkt dat in 2005 aan den lijve. „Wat opviel is dat zowel de betrokken politieagenten als de zaaksofficier zich van geen kwaad bewust waren”, vertelt Crepin. „De officier van justitie heeft mijn verzoek om dat gesprek onmiddellijk te laten vernietigen genegeerd. Dat moest de rechter maar bepalen, liet zij mij weten.”

In de procedure die volgt krijgt Crepin van de rechtbank in Rotterdam en het hof in Den Haag gelijk: het OM wordt niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechters is er door het gebruik van informatie uit een geheimhoudersgesprek sprake van een ernstige schending van de belangen van Ranjit S. Hij mag niet worden vervolgd.

Hoewel het OM in cassatie gaat, krijgt de zaak nauwelijks aandacht. Geheimhoudersgesprekken duiken pas weer op in de zaak tegen de Hells Angels. Net als in 2001 pareert justitie de kritiek met een aanscherping van de regels voor het vernietigen van geheimhoudersgesprekken. Ook worden alle bestaande dossiers extra gecontroleerd.

Uit een serie vonnissen daarna blijkt dat rechtbanken en gerechtshoven er verschillend mee omgaan. Zo weigerde de rechtbank Maastricht in juni van dit jaar in een belastingfraudezaak op principiële gronden kennis te nemen van niet-vernietigde tapgesprekken. Daarmee verwerpt de rechtbank impliciet het argument van de officier van justitie dat de verdachten niet zijn benadeeld omdat er in de tapgesprekken geen voor de zaak relevante informatie is gewisseld. Het OM wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Maar dat vonnis wordt door het gerechtshof in Den Bosch vernietigd. Volgens het hof is er alleen sprake van een ernstige schending van de belangen van verdachten als de niet-vernietigde geheimhoudersgesprekken voor de zaak relevante informatie bevatten. En dat is volgens het hof niet zo.

Die beslissing komt overeen met het arrest van de Hoge Raad in de zaak van Ranjit S. De Hoge Raad oordeelt dat de aanhouding van S. onrechtmatig was. „De politie had de informatie uit het gesprek tussen Ranjit en Crepin niet mogen gebruiken”, aldus Willem van Schendel, persraadsheer bij de Hoge Raad. „Maar die fout betekent nog niet dat het OM daarmee het recht op vervolging heeft verspeeld, zoals het hof oordeelde.” De zaak is terugverwezen naar de rechtbank. Crepin is blij dat de Hoge Raad het gebruik van het gesprek met zijn cliënt afkeurt. Dat het OM zijn cliënt opnieuw mag vervolgen, vindt hij wrang. „We zijn in die vier jaar niets opgeschoten.”