Verward ontwaakt uit welvaartsdroom

Na de jaren zeventig vol taaie armoede groeiden in Spanje de bomen tot in de hemel. Nu slaat de crisis hard terug en neemt de twijfel overal toe.

Het haventje van Barbate in Cádiz. In de vissersstad slaat de crisis harder toe dan in de rest van Spanje. (Foto Getty images) Lord Bingham (Foto HRLRC) Barbate. Cadiz. Port. (Photo by Xavi Gomez/Cover/Getty Images) Cover/Getty Images

Na de eindeloze overvloed in Spanje slaat de stemming om. Neem Barbate, een kleine vissersstad aan de fraaie stranden van het zuidelijke Cádiz. „Het feest is voorbij”, zegt mijn vriend Manolo Aragón en pakt er het boek bij met foto’s van het vissersstadje, bekend om zijn tonijn. Daar: zijn straat in de jaren zeventig, een onverhard zandpad met aan weerszijde uit golfplaten opgetrokken sloppen. „Zo lang geleden was dat nog niet’’, realiseert hij zich verbaasd. De herinnering aan de taaie armoe is binnen een paar decennia vervaagd.

Maar anno 2009 heerst in Spanje collectief twijfel over alles wat in zo’n korte tijd bereikt is. De crisis slaat hard toe. De werkloosheid stijgt in recordtempo, de huizencrisis is nergens zo erg. De altijd drukke restaurants zitten nu leeg op weekdagen. De bedelaars op straat nemen toe. De gaarkeukens voor de armen worden goed bezocht. Verspreid door het hele land bieden half afgebouwde nieuwbouwwijken een trieste aanblik.

De trots en het grenzeloze zelfvertrouwen van er weer helemaal bij te horen heeft plaats gemaakt voor de schaamte dat het land opnieuw afdrijft naar de marge van Europa. De internationale economen, de Spanjaarden zelf: niemand ziet een snel herstel. „Wat moet er van ons terecht komen?”, vraagt Aragón zich af.

Begin jaren negentig, toen we elkaar leerden kennen, was het ook niet altijd makkelijk. Zeker niet in Andalusië, vanouds een van de armste regio’s van het land, met een chronische hoge werkloosheid op het platteland. Manolo Aragón had net zijn werk als visser verloren. Marokko zegde de visserijovereenkomst met de Europese Unie op, de haven met zijn afslag voor sardienen en ansjovis kwam stil te liggen. Maar de bomen in Spanje groeiden elders nog tot in de hemel: er werd gebouwd dat het een lieve lust was, iedereen kreeg goedkoop hypotheken en leningen bij de bank. Het was dan wel op de pof, maar het geld rolde als nooit te voren.

Manolo kreeg een baan als ambtenaar. Dat leek een zeker bestaan. Tot eerder dit jaar de gemeentekas leeg bleek. Letterlijk. Al een paar keer zijn de ambtenarensalarissen niet uitbetaald. Barbate is failliet. De werkloosheid, die in Spanje snel stijgt richting 20 procent stoomt, ligt in het stadje ergens tussen de 30 en 40 procent. De vorige burgemeester, van conservatieve signatuur, liet het stadje van 22.000 inwoners achter met een schuld van 60 miljoen euro. Eerder deze maand werd hij aangeklaagd op verdenking van corruptie met onroerendgoedtransacties.

„We zijn hier mooi de klos’’, zucht zijn socialistische opvolger, burgemeester Rafael Quirós vanuit het sleetse meubilair van zijn werkkamer op het stadhuis. Door de schuld krijgt Barbate geen cent uit het speciale crisispotje voor infrastructurele werken dat is ingesteld door de regering van zijn partijgenoot premier José Luis Rodríguez Zapatero. Net als de andere gemeentes kreeg Barbate zijn financiering vooral uit bouwvergunningen. Nu de bouwmarkt is ingestort, is deze inkomstenbron geheel opgedroogd.

Welbeschouwd ligt Barbate in de teruggang slechts een stapje voor op de rest van Spanje, vermoedt burgemeester Quirós. Al die tijd van overvloed is er te weinig geïnvesteerd in nuttige zaken. Al jaren wordt gesproken van meer en een beter soort toerisme, maar dat werd zelden of nooit waargemaakt. Quirós wil graag een nieuwe jachthaven in de monding van de rivier en een hotelcomplex met een golfterrein. Maar door de crisis staan de investeerders niet langer te dringen. „Toen de koeien hier dik waren, zijn er geen plannen gemaakt. En nu de koeien mager zijn, is er geen geld”, aldus de burgemeester.

Verward ontwaakt Spanje uit zijn welvaartsdroom. In de voorstellen van de regering Zapatero van de afgelopen maanden vielen vaak de woorden ‘duurzame ontwikkeling’ en ‘kennisindustrie’ als reddende oplossing. Maar Spanje ontbreekt in de lijst met topuniversiteiten die de kennis moeten leveren. Een op de drie jongeren maakt niet eens zijn verplichte middelbare school af. Aan het Torre del Tajo college in Barbate weten ze er alles van: veel van de leerplichtige leerlingen staan op straat te niksen of sleutelen wat aan hun brommertjes. „In het eerste jaar hebben we 180 leerlingen. In het vierde jaar nog maar 80, de rest zijn we onderweg ergens verloren”, zegt een van de docenten uit de directie. „En ik zie geen verbetering.”

En dan is er nog politieke verwarring. Door de crisis heeft de socialistische regering-Zapatero in enquêtes haar positie als grootste partij verloren. Het kwaliteitsdagblad El País, doorgaans op de hand van de socialisten, publiceerde zelfs een kritisch hoofdartikel op zijn voorpagina dat las als een rechtstreekse aanval op de premier.

De conservatieve oppositie worstelt op haar beurt met een reeks financieringsschandalen waarbij partijleider Mariano Rajoy steeds vaker de wind van voren krijgt van zijn eigen achterban. Want net als in Barbate worden ook elders in Spanje partijleden ervan verdacht uit de publieke kas te hebben gegraaid. Rajoy leed vooral gezichtsverlies omdat hij de al maanden in opspraak geraakte regiopresident van Valencia de hand boven het hoofd had gehouden. Rajoy is een onbetrouwbare slappeling, vond de hoofdredacteur Pedro J. Ramírez van El Mundo, het dagblad dat het normaal gesproken opneemt voor de conservatieve oppositie. Wat moeten de kiezers met een oppositiepartij die weigert haar straatje schoon te vegen? „Arme Spanjaarden”, aldus Ramírez.

In het fotoboek van Barbate zien we hoe dictator Franco, naar wie het stadje ooit was vernoemd als eerbetoon, in 1961 de nieuwe vissershaven kwam openen. Die tijd, toen het regime en de kerk nog de dienst uitmaakten in de stad, hebben we gelukkig definitief achter de rug, zegt Manolo Aragón. Zijn kinderen , van wie de oudste net op de universiteit is toegelaten, weten al nauwelijks meer wie Franco was.

Veel van de oude tegenstellingen tussen links en rechts zijn nog aanwezig, denkt Aragón. Dat zie je weer met het geruzie over het opgraven van de resten van de grote Spaanse schrijver Federico García Lorca die door de fascisten werd vermoord. Maar de zorgen van alledag zijn nu belangrijker. In Spanje is veel verbeterd. De vraag is hoe de grote stap vooruit op sociaal, economisch en politiek terrein ook de komende jaren bewaard kan blijven. „We weten beter wat we achter ons hebben gelaten, dan waar we naar toe gaan.”

Dit is het laatste artikel van Steven Adolf als correspondent in Spanje.