Vertoon van vechtlust

Ruud heeft een litteken boven zijn oog. „Vechten tegen Belanda’s”, zegt hij. „Mijn vriend haalt uit, die Belanda bukt en ik krijg die fietsketting in mijn gezicht.” Hij kan er nog steeds om lachen. Gevechten tussen Indo’s en Nederlanders zijn begin jaren zestig niet zeldzaam.

Wij wonen in Den Haag vlakbij snackbar De Gouden Paraplu. Daar komen vaak Indische jongens patat met sambal halen. Zij vormen de kern van de gang die De Plu gaat heten. De rivaliserende gang is de Fahrenheit-gang, genoemd naar de straat waar hun snackbar is.

Een keer komen ze en masse bij elkaar op het plein naast ons. Op Puchs en buikschuivers, gestoken in leren jasjes of in grijze of groene, nylon vliegeniersjacks. Zo nu en dan stapt iemand van zijn brommer af om opgezwollen uitdagend te paraderen. De politie komt en ze vertrekken zonder te vechten. Ongetwijfeld waren ze gewapend. Iedereen had in die tijd een wapen. Nadat mijn moeder voor de derde keer mijn broek had moeten verstellen, mocht ik geen boksbeugel meer in mijn achterzak dragen. In de Zoutmanstraat kostten ze 1,25 gulden zonder en 1,50 gulden met punt. Er waren ook ploertendoders, stiletto’s en gummiknuppeltjes.

In de Haagse bioscopen wordt in die tijd regelmatig reclame gemaakt voor ‘karate, dé sport voor Indische jongens’. Dus probeer je op de muur en de kokosmat je knokkels te harden en daagt op school de jongen uit die zijn stiletto laat zien. Hij pareert een schop met een steek in mijn knie. De leraar lichamelijke opvoeding die langsloopt, zegt alleen „pas een beetje op jongens”.

In de verhalen thuis is geweld een terugkerend thema. De Indonesiërs die met bamboesperen en klewangs op Chinezen, blanken en Indo’s jagen tijdens de zogeheten Bersiaptijd. Madurezen en Florinezen die elkaar gewapend te lijf gaan of Papoea’s die in bloedige stammenstrijd zijn verwikkeld. Familieleden die door Japanners zijn gemarteld, martelingen door Hollandse soldaten van gevangen genomen peloppors (verbastering van ‘voorloper’ van de revolutie, zoals de Indonesische vrijheidstrijders zichzelf noemden.)

Tegen dit decor van verhalen en vertoon van vechtlust weet je onbewust, eens moet het ervan komen. Dan scheldt een keer een Hollandse jongen, meer dan een kop groter, me uit. Ik steek de straat over en haal de boksbeugel uit mijn zak. De jongen ziet het en begint te beven van angst. „Nee, niet doen”, roept hij. Ik schrik van zijn angst en stel hem gerust. ’s Avonds gooi ik de boksbeugel in de gracht. Iemand zo bang maken, dat kan niet goed zijn.