'Stinking blessings'

Een column als noodkreet, een tamelijk existentiële nog wel. Het is een hachelijke onderneming, maar waarom zou je optimisme veinzen als het water je aan de lippen staat?

Dat moet Judith Warner, geliefd blog-columnist van The New York Times, gedacht hebben toen ze onlangs een column schreef met de titel I Feel It Coming Together.

„Het gebeurde op een van die momenten die betekenisloos zouden moeten zijn”, begint Warner. Zij, getrouwde vrouw van 44 jaar, zit met haar 12-jarige dochter Julia in de auto te luisteren naar een liedje uit de remake van de film Fame. Ze zingen samen mee, maar plotseling hoort ze Julia zoveel sterker en zelfverzekerder dan zijzelf zingen: „I’m gonna live forever, I’m gonna learn how to fly.”

„Het is nu haar song. Niet de mijne”, stelt Warner vast. Eerder die dag hadden ze voor Julia kleren gekocht. Julia moest naar een bijeenkomst in Washington, waar ze ook zou logeren. Haar moeder had een rokje uit de rekken gepakt, zo’n rokje dat ze vroeger graag had gedragen. „Ik zou dit nog kunnen dragen”, zei ze. „Beloof me dat je dat niet zult doen”, reageerde haar dochter met klem.

Op de terugweg laat Judith zich meevoeren op een sombere stroom van gedachten over een leven dat zijn beste tijd heeft gehad, die „wreedheid van de middelbare leeftijd”: „Juist als alles goed is geworden – werkelijk en consequent goed – word ik mij ervan bewust dat het allemaal zal aflopen.”

Ze gelooft niet meer in al die mooie modieuze praatjes over eeuwig jong zijn, dat „50 jaar nu 30 jaar betekent”, en dat het zó prachtig is om 40 te zijn dat je niet meer van middelbare leeftijd kunt spreken.

Als columnist met een midlifecrisis hoef je nooit lang eenzaam te zijn – dat scheelt. De column leidde tot honderden reacties, zowel instemmende als afkeurende.

„Neem het van me aan: je komt er overheen.” (Man.)

„Heel schrijnend.” (Man.)

„Het geweldige is voor jou dat alles op z’n minst één keer in je leven is goed gegaan. Voor veel mensen gebeurt dat nooit. Count your stinking blessings.” (Man.)

„Judith, je bent een ongelukkig iemand. Weet je waarom? Omdat je buitengewoon beperkte interesses hebt buiten je eigen subjectiviteit.” (Vrouw.)

„Misschien in een wanhopige poging om jong te blijven, heb ik samen met mijn gekke man op 45-jarige leeftijd nog een kind geadopteerd. Ze is nu 2,5 en wij zijn 47. We hebben al kinderen van 13 en 11 (..) Ik voel me daardoor totaal anders (..) Ik heb aanvaard dat dit niet langer ‘mijn tijd’ is. Dit is de tijd om goede burgers de wereld in te sturen.”

Een man of vrouw van zestig met een tienerdochter schrijft dat hij/zij veel vaker dan vroeger aan het einde denkt, bijvoorbeeld bij het kopen van dingen voor het huis. „Ik hou niet van dat gevoel, en ik probeer me er niet in te verliezen. Anders word ik gek, of dompel ik me onder in zelfmedelijden. Dus ga ik door. En blijf sterk. Dat is het beste dat we kunnen doen. We hebben geen greep op wat onvermijdelijk is.”

Dat vond ik wijs gesproken van deze persoon. En tegen Judith Warner zou ik willen zeggen: „Koop geen kleren meer met je dochter, behalve als er weer een interessant stukje in zit.”