Politieke elite zal het gegraai nog opbreken

Bezuinigingen slagen alleen als een kabinet kan bogen op gezag. Maar juist dat gezag is ondermijnd door financieel wangedrag op grote schaal, meent Thomas von der Dunk.

Het is jammer dat Marten Toonder de kredietcrisis niet meer heeft meegemaakt. Zijn al uit 1963 stammende Bommelverhaal De bovenbazen blijkt van hoog profetisch gehalte als het om zelfbedieningsmechanismen in de bonanerende bancaire sector gaat: ook onze bovenbazen van het reëel existerende kapitalisme zijn in hun gated communities moreel en maatschappelijk volstrekt van de samenleving vervreemd.

De crux van Toonders Bovenbaasmechanisme: als er in Bovenbaaskring een geldtekort is, wordt een hendel overgehaald waarmee al het geld uit de zakken van de burgers wordt getrokken dat zich rond de noodlijdende Bovenbaas ophoopt. Het is niet alleen een treffende omschrijving van de praktijk in pakweg de zorg, waar de onderbetaalde alfahulp de gouden handdruk van de falende topmanager financiert, maar ook van de verwording van ABN Amro: met miljarden belastinggeld van de burgerij gered, nadat Rijkman Groenink na jarenlang matig beleid aan de verpatsing persoonlijk ruim 20 miljoen heeft overgehouden, en dat nog normaal vindt ook. Teruggave heeft althans nog niet plaatsgevonden.

Dat verklaart de woede die in de ungated community buiten zijn villapoorten heerst over de politieke elite die dit tolereert, en zich in een groeiende gezagscrisis met steun voor radicale flankpartijen vertaalt.

Het is in dit licht eigenlijk verbazingwekkend op hoeveel steun Dirk Scheringa de afgelopen weken nog bij zijn clientèle kon bogen. Kwam dit voort uit een vertwijfeld vastklampen aan allerlaatste hoop? Zagen we hier de financiële variant van het stockholmsyndroom? Was het zijn passie voor AZ die velen verblindt? De Romeinen wisten het al: geef het volk spelen en het ziet niet om, maar juicht. Zelfs de burgemeester deed mee: de DSB had zijn gemeente toch maar mooi op de kaart gezet. Hóé deed er kennelijk niet toe.

Rode draad door alle sympathiebetuigingen: Scheringa was altijd zo’n gewone jongen gebleven die zoveel om en aan de gemeenschap had gegeven – van schaatsploeg tot museum. Dat maakt kennelijk zelfs de zwendel goed waaruit die giften zijn betaald. Het is een beetje de Hollandse variant op de omertà van de Siciliaanse maffia: ook clanleider Toto Riina was een eenvoudig mens, die met op onsmakelijke wijze verkregen geld vast veel goeds voor zijn naaste omgeving deed, zeker een belangrijk werkgever was en zijn geboortedorp Corleone zonder twijfel definitief op de kaart heeft gezet.

Dat ‘gewonejongengedrag’ is, gelardeerd met een oud West-Fries minderwaardigheidscomplex, waarschijnlijk de verklaring voor de underdogstatus die Scheringa in eigen contreien weet te verwerven. Want in één opzicht betoont hij zich een waardig opvolger van de burgerij uit de 19de eeuw, aan wier investeringen in eigen stad wij menige culturele en sociale instelling te danken hebben. Scheringa stak zijn onfris verworven geld in eigen dorp en streek, hij verkaste niet naar een ver belastingparadijs. Dat onderscheidt hem van de internationale financiële elite die aan het eigen land, waar het geld is verdiend, geen enkele boodschap meer heeft. Net als de onderklasse bestaat ook die topklasse uit Vaterlandslose Gesellen, die de door hen als manager tijdelijk beheerde grote ondernemingen als hun persoonlijk eigendom beschouwen, dat ten behoeve van de eigen bankrekening grenzeloos mag worden geplunderd. In hun internationale gated communities, sociaal en mentaal geïsoleerd, bevestigen zij elkaar in hun opvattingen, zodat zij niet meer in staat zijn te bevatten dat die daarbuiten aanstootgevend gevonden zouden kunnen worden. Zelden werd schaamtelozer gedrag tentoongespreid dan door ING-topman Tilmant, die – ofschoon geenszins een risicodragend ‘ondernemer’, maar niet meer dan een hooggeplaatste kantoorklerk – er zelfs eens met de hele bank naar het buitenland vandoor dreigde te gaan, indien iemand nog langer misprijzend op zijn miljoenenbonus wees.

Deze egocentrische mentaliteit is het afgelopen decennium van het bedrijfsleven ook naar de semi-overheid overgeslagen. Privatisering kwam op zelfverrijking neer, en dat heeft tevens het gezag van de politiek aangetast, omdat veel (oud)-politici tot de daders blijken te behoren, nu het onderscheid tussen privé en publiek zoek is geraakt.

Het probleem van publiek-private belangenverstrengeling is natuurlijk niet nieuw, getuige de vooroorlogse olieconnecties van premier Colijn. Maar het geldzuchtige Calonsocialisme van Groningse woningcorporatiedirecteuren, de hardleersheid van christen-democratische bestuurders die een Limburgs burgemeesterschap met een Bulgaars projectontwikkelaarschap denken te kunnen combineren, en het langdurig wegkijken bij de woekerpraktijken van een thans faillerende VVD-bank uit Wognum, vormen electoraal voedsel voor PVV en SP.

Anders dan bij de majeure bezuinigingen van Lubbers in de jaren ’80, ontbeert de overheid door zulk wangedrag thans daartoe het gezag, wat het kabinet in de AOW-kwestie nog zal opbreken.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.