Pas op, kinders! Overal ligt seks op de loer

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: pedofilie en een gebiedsverbod.

De gemeente Eindhoven heeft begin oktober een veroordeelde pedoseksueel de toegang tot de stad ontzegd. De man, die een gevangenisstraf uitzat van 27 maanden wegens ontucht met een 10-jarige en een 13-jarige jongen, kan nu niet terugkeren naar zijn woonplaats. Het is voor het eerst dat in Nederland een dergelijke maatregel wordt genomen.

Al eerder werd in Utrecht een pedoseksueel gedwongen te verhuizen uit zijn flat omdat zijn slachtoffer daar ook woonde, maar hem werd wel een vervangende woonruimte aangeboden. Eindhoven heeft echter besloten een volledig gebiedsverbod op te leggen om „maatschappelijke onrust en wraakacties te voorkomen”. De gemeente zegt er niet op te vertrouwen dat de man „niet opnieuw de fout in zal gaan”.

Deze reactie is invoelbaar. Mochten opnieuw kinderen slachtoffer worden van ontucht, dan zullen de verantwoordelijke betrokkenen zich daarover voor altijd schuldig voelen. Was er maar meer gedaan om dit te voorkomen, zal de gedachte zijn. Toch gaat de maatregel héél ver: de man, die zijn straf reeds heeft gehad, zal nu permanent ‘verdachte’ blijven. De kans op verkettering is groot: welke gemeente wil wél dat een veroordeelde pedoseksueel in de buurt komt wonen? Wat voor de gemeente Eindhoven geldt, gaat in feite voor heel Nederland op.

Dit soort kwesties kennen bovendien, naast juridische, ook filosofische haken en ogen. Om misverstanden te voorkomen: ik ben tegen seksuele contacten tussen volwassenen en kinderen. Iedere kanttekening die ik hier opvoer, moet dus ook niet worden opgevat als een verdediging van pedofilie.

Toch kan een uiteenzetting van de filosofische dilemma’s een beter inzicht geven in de redenen waarom de Eindhovense maatregel zijn maatschappelijke doel voorbijstreeft. Hoe begrijpelijk ook, het gebiedsverbod doet op den duur meer kwaad dan goed, zoals ook de recente arrestatie op filmmaker Roman Polanski de onrust alleen maar verder opvoert.

Het meest wezenlijke probleem met pedofilie is namelijk de zeer negatieve en eenzijdige beeldvorming rondom het fenomeen. De maatschappelijke weerzin tegen seks met kinderen is zo diepgeworteld en sterk dat een ‘neutrale’ blik erop nagenoeg onmogelijk is. Bij ieder bericht in het nieuws over ontucht met minderjarigen komt als het ware vanzelf het doembeeld voor ogen van een vieze oude man die zijn seksuele lusten genadeloos heeft botgevierd op een onschuldig, weerloos jongetje of meisje.

De realiteit is echter complexer dan dat: lang niet alle pedofielen zijn op seks beluste maniakken. Soms zijn het kinderen of pubers zélf die seksuele toenadering zoeken en vaker dan ons beeld ervan doet vermoeden zijn de intenties van de volwassene niet per definitie agressief en kwaadwillend, maar ook liefdevol. De Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984), die een uitgesproken voorstander was van soepelere wetgeving omtrent seksuele contacten tussen volwassenen en minderjarigen, sprak in dit verband dan ook van „niet-ontuchtige pedofilie”. Dat werpt in ieder geval de vraag op of pedoseksuelen niet moeten worden geholpen in plaats van bestraft.

Daarbij komt dat het, filosofisch gezien, onduidelijk is wat onder ‘pedofilie’ moet worden verstaan. In de volksmond wordt met het begrip meestal verwezen naar een seksueel verlangen van een volwassene naar een minderjarige, maar in de vakliteratuur is de definitie specifieker: het gaat dan om verlangens naar kinderen jonger dan 12 jaar.

Seksuele voorkeur voor pubers tussen de 12 en 17 jaar wordt anders genoemd, namelijk: efebofilie. Voor de acceptatie van dat laatste maakt de Partij voor Naastenliefde, Vrijheid en Diversiteit (PNVD) zich sterk. Die partij staat dus, strikt genomen, ten onrechte als ‘pedopartij’ bekend. De connotatie die aan dat woord kleeft, kwam de partij twee jaar geleden bijna op een verbod te staan.

Een probleem met deze definities is dat het begrip ‘kind’ uitsluitend wordt gedefinieerd in termen van leeftijd, waarschijnlijk omdat het juridisch een handig criterium is. In de sociale praktijk spelen echter veel meer factoren een rol, zoals lichamelijke volgroeidheid en geestelijke volwassenheid. In die zin kan een kind van 16 veel minder ontwikkeld en dus kwetsbaarder zijn dan een kind van 12. Daarbij komt dat niet alleen leeftijd, maar ook leeftijdsverschil in seksuele contacten zeer relevant is: seks tussen iemand van 14 en 18 kan minder problematisch zijn dan seks tussen iemand van 14 en 45.

Ondanks talloze onderzoeken is bovendien nog steeds niet duidelijk wat precies de oorzaken van pedofilie zijn. Lange tijd werd gedacht dat een seksuele voorkeur voor kinderen voortkwam uit een traumatische jeugd: wie zelf misbruikt was als kind, zou een grotere kans hebben zelf ook seks met kinderen te willen. Dat verband is echter dubieus gebleken. Er zijn steeds meer gevallen bekend van mensen die vroeger misbruikt zijn en toch geen pedofiele gevoelens koesteren, zoals er ook veel pedofielen zijn die in hun jeugd nooit zijn misbruikt.

Tegenwoordig is de opvatting dominant dat pedofilie eerder een ontwikkelingsstoornis is: pedofielen zijn blijven steken in hun geestelijke ontwikkeling en beschouwen kinderen dus als het ware als leeftijdsgenoten – ook al zijn ze zelf vele jaren ouder. Popster Michael Jackson is een mooi voorbeeld van die theorie: hij praatte en gedroeg zich vaak als een kind – hij had nota bene een eigen pretpark. De vraag blijft echter in hoeverre deze theorie bepaald wordt door de culturele context waarin ze is geformuleerd. Het kan immers ook zijn dat pedofilie een ‘natuurlijke’ seksuele oriëntatie is – zoals sommigen op oude, dikke of donkere mensen vallen – die niettemin als stoornis wordt gezien omdat het wordt afgekeurd.

Onderzoek naar die vraag blijkt echter moeilijk, omdat onderzoekers al gauw wordt verweten naar maatschappelijke acceptatie van seks met minderjarigen te streven. Deze extreme afkeer is volgens Michel Foucault echter vooral het gevolg van een politiek machtsspel geweest. In een uitgeschreven interview getiteld Het gevaar van kinderseksualiteit schetst Foucault hoe aan het eind van de 19de eeuw eerst in Frankrijk, en later ook in de rest van de westerse wereld, een verregaande „criminalisering van seksualiteit” plaatsvond.

Die criminalisering was er echter niet op gericht om verwerpelijke daden te bestraffen, zegt Foucault, maar om „kwetsbare groepen in de samenleving te beschermen tegen een gevaarlijke ander”. Daarmee bedoelde Foucault: er vond in de wet een verschuiving plaats van het afkeuren van bepaalde handelingen naar het afkeuren van de dader zélf. Zo werd de macht van de staat steeds verder verruimd.

Ondersteund door de psychologie ontstond in het juridische domein de notie van ‘zedendelinquent’, waarmee de wetgever volgens Foucault bewust „een tweedeling creëerde tussen de ‘kwetsbare bevolking’ enerzijds, zoals kinderen, en de ‘gevaarlijke bevolking’ anderzijds, zoals de pedofiel.” Deze tweedeling bereikt haar hoogtepunt in de jaren dertig en veertig, toen in de media de pedofiel voortdurend werd voorgespiegeld als een psychopaat op zoek naar een weerloze prooi. Pedofiel werd synoniem met ‘kinderlokker’.

Foucault waarschuwde voor deze beeldvorming – niet alleen omdat ze niet realistisch was, maar vooral omdat hij vreesde dat ze zou uitmonden in een „samenleving van gevaren”, waarin twee groepen tegenover elkaar zouden komen te staan: „Zij die in gevaar zijn aan de ene kant en zij die het gevaar zijn aan de andere”. Volgens Foucault zou seksualiteit daardoor worden beschouwd als een „permanente bedreiging” die als een soort „alomtegenwoordige fantoom boven alle sociale relaties tussen alle leeftijdsgroepen hangt”.

Die waarschuwing is niet volledig onrealistisch gebleken. Seks wordt in toenemende mate afgeschilderd als een gevaar dat op de loer ligt – en waartegen mensen zich moeten verweren. Dat is vooral te merken aan het woordgebruik: jongeren moeten worden ‘beschermd’ tegen de seksualisering; het internet zou een ‘broeinest’ van ongure types zijn – en in ‘kelderboxen’ bezondigt de jeugd zich aan breezerseks en groepsverkrachting, zo wordt gezegd.

Deze beeldvorming leidt ertoe dat ons rechtsysteem zich, zoals Foucault voorspelde, steeds meer richt op de preventie van misdaden dan op de bestraffing van daadwerkelijke misdaden zélf. Zo werden onlangs in Zwolle acht mensen gearresteerd, alleen op verdenking van het downloaden van en kijken naar kinderporno. En Norbert de Jonge, medeoprichter van de PNVD, werd op grond van zijn ideeën de toegang tot zijn studie pedagogiek ontzegd – zónder dat hij ooit van ontucht was beschuldigd, laat staan veroordeeld.

Hoe begrijpelijk sommige voorzorgsmaatregelen ook zijn, een ding moet dan ook niet uit het oog worden verloren, namelijk dat een risicoloze samenleving én een rechtsstaat nooit samengaan. Het een sluit het andere immers uit. De kwestie in Eindhoven dwingt ons na te gaan welke van de twee we liever hebben.