'Ik vertrouw altijd op mijn onderbuik'

Laatbloeier Andrea Arnold nam al vele filmprijzen in ontvangst, onder meer voor ‘Fish Tank’. „Mijn god, wat zeg ik nu? Wat klinkt dat pompeus.”

Coen van Zwol

Ze is de lieveling van Cannes. Twee speelfilms op haar naam, tweemaal de Juryprijs. Haar korte film Wasp kreeg in 2003 een Oscar. „This is the dog bollocks”, riep ze vreugdevol als dankwoord.

De 48-jarige Britse schrijver-regisseur Andrea Arnold is een laatbloeier, een rossige, Keltisch ogende schone, opgegroeid in een woonkazerne met een alleenstaande moeder. Op haar achttiende naar Londen, daar werkzaam als danseres bij Top of the Pops en presentatrice van kinder- en jeugdshows. Pas na haar dertigste is ze met film begonnen.

Na haar verontrustende debuut Red Road, over een doodse, getraumatiseerde videosurveillante, maakte Arnold Fish Tank, een haarscherp observerende coming of age-film over de 15-jarige Mia, gespeeld door de van straat geplukte Katie Jarvis. Jarvis, in mei van haar eerste kind bevallen, speelt een stuurse, boze puber met een feestbeest van een moeder en een vuilbekkend zusje. Stiekem droomt ze ervan uit haar woonkazerne te ontsnappen door hiphopdans. Als charmeur Connor opduikt in deze vrouwenflat, ontstaat een broeierige driehoeksdans tussen moeder, dochter en minnaar.

Arnold heeft grote moeite met het uitleggen van haar films, maar wil best uitleggen waarom dat zo is. Als we vissen naar autobiografische elementen (woonkazerne, alleenstaande moeder, dans?) houdt ze de boot af: „Nee, ik leek absoluut niet op Mia. Ik was niet boos, ik was juist heel populair.”

U zegt dat u films op intuïtie maakt. Wat bedoelt u?

„Dat ik besluiten neem zonder te weten waarom. In films bestaat geen toeval, het is een weloverwogen proces. Alles wordt besloten: hoe karakters zijn, wat ze dragen, waar ze wonen, de muziek, cinematografie. Ik neem die besluiten. Maar waarom? Ik weet het niet. Ik vertrouw op mijn onderbuik. Maar later moet ik het toch uitleggen, hier in deze vliegveldbar.”

Hoe begint een film bij u?

„Met een beeld. Ik maakte de korte film Milk vanuit een beeld van een man die bij een vrouw aan de borst ligt. Ik dacht: wow! En schreef in twee uur een script.”

Wat was dat beeld bij ‘Fish Tank’?

„Een meisje dat in een nieuwbouwhuis video’s bekijkt van een blij gezinnetje en piest op het tapijt. Daarna was het: wie is dat meisje, hoe komt ze in dat huis? Zo gaat het. Thematisch in plaats van intuïtief denken verpest het creatieve proces. O mijn god, wat zeg ik nou? Wat pompeus!”

Nee hoor, helemaal niet.

„Jawel, ik kan niet tegen mensen die ‘creatief proces’ zeggen. Ik neem het terug.”

Te laat. Waarom zijn uw karakters zo boos?

„Mijn karakters zijn prachtige mensen. Ze hebben zwaktes, maar ze zijn menselijk. Ik vecht me dood voor ze.”

Ze willen zich wreken, maar deinzen terug. ‘Fish Tank’ had een gruwelijke wending kunnen nemen.

„Dat liet ik bijna gebeuren. Het gaat van: wat doet ze nou! O nee! Dat kan toch niet? Maar dan doet ze het toch. Of niet.”

Ja zeg, u schrijft het op.

„Welnee, ik ben mijn karakters niet de baas, het verhaal is groter dan ikzelf. Ik moet toestaan dat ze doen wat ze doen.”

Wordt u zoals Ken Loach op het continent populairder dan thuis?

„Onze films zijn links en pijnlijk. Een spiegel, lelijke waarheden waaraan je liever ontsnapt. De dingen moeten gezegd worden, maar ik eis niet dat iedereen luistert.”

U verkiest naturalisme boven drama.

„Is dat niet hetzelfde? Waarom zou een man die aan een liaan door de Amazone slingert dramatischer zijn dan een eenzaam bejaard dametje aan het eind van de straat?”