Hoe Hollywood Obama kan helpen

Aan televisiekijken komt hij nauwelijks meer toe. Maar de nieuwste films volgen lukt een stuk beter, heeft de Amerikaanse president Barack Obama gezegd, aangezien hij in het Witte Huis over zijn eigen filmzaal beschikt.

Aan betrokkenheid bij film geen gebrek bij de president, maar hoe zit het met de betrokkenheid van Hollywood bij Obama? Dat kan beter volgens de auteurs Nathan Gardels en Mike Medavoy in hun boek American Idol After Iraq. Competing for Hearts and Minds in the Global Media Age. Gardels is buitenlandcommentator, Medavoy is filmproducent. Ze zijn van mening dat Hollywood veel te gemakzuchtig inzet op lawaaifilms („shock-and-awe blockbusters”) en te weinig de hedendaagse, gemondialiseerde culturele verhoudingen weerspiegelt. En dat heeft consequenties want Hollywood is van grote betekenis voor het aanzien en de invloed van de VS in de wereld. De filmindustrie zou een steentje moeten bijdragen aan het normaliseren van de verhouding tussen Amerika en de rest van de wereld, na het ontwrichtende presidentschap van George W. Bush.

Het type films waar deze auteurs hun hoop op hebben gevestigd zijn onder meer Slumdog Millionaire, een film met een Britse regisseur, een Indiase cast en Amerikaans geld. Maar vooral het globaliseringsdrama Babel zien zij als het prototype van hoe het wél moet: een film die zich afspeelt op meerdere continenten, waarin mensen van uiteenlopende herkomst zich kunnen herkennen, en waarin de Amerikaanse cultuur niet als grote platmaker over de planeet dendert.

De respons op American Idol After Iraq vanuit Hollywood is vooralsnog mager. De studio’s hebben wel wat anders aan hun hoofd: hoe te overleven in economisch barre tijden. Een van de grootste mythen van de sector is dat de filmindustrie nauwelijks gevoelig zou zijn voor een recessie. De nood is momenteel hoog en de kans lijkt klein dat dat zal leiden tot minder lawaaiige films.