Het DSB-syndroom

Na alle commotie rond de teloorgang van de DSB-bank blijft de vraag hangen die al meer dan een jaar rond banken speelt: is de financiële markt wel een vrije markt? Toen DSB op wankelen stond, richtten de ogen van vrijwel alle betrokkenen zich meteen op de overheid. Dat is niet onbegrijpelijk. Vorig jaar en begin dit jaar schoot de Staat de banksector te hulp met tientallen miljarden euro’s. Dan lijkt het wrang dat DSB kennelijk wél mocht sneuvelen.

De gebeurtenissen van het afgelopen jaar hebben duidelijk gemaakt dat bepaalde banken een dusdanig essentiële maatschappelijke functie hebben, dat de samenleving het zich niet kan permitteren ze teloor te laten gaan. In zijn val trekt een ‘systeembank’ andere banken met zich mee en ontrafelt het weefsel van de samenleving. Als het er op aankomt zijn dergelijke banken ‘te groot om te mogen falen’. Zeker als ze, zoals vorig jaar, allemaal tegelijk op omvallen staan.

DSB was klein genoeg om te mogen falen. Dat oordeel is terecht, hoe pijnlijk ook. Het neemt niet weg dat de grote financiële instellingen vorig jaar strikt genomen eveneens bankroet hadden moeten kunnen gaan, als de maatschappelijke schade daarvan niet zo groot zou zijn geweest. De hoop dat de Staat bij een bank in crisis wel zal ingrijpen leek echter de afgelopen weken te zijn veranderd in een recht. Dat DSB niet werd gered, vertaalt zich dan al snel in de constatering dat de bank ‘is kapotgemaakt’, en in een klimaat waarin de topman ervan zich presenteert als slachtoffer en veel betrokkenen van de weeromstuit symptomen beginnen te vertonen van het zogeheten stockholmsyndroom.

Als de Staat een paar honderd miljoen euro had opgehoest, en De Nederlandsche Bank zijn afboeking van 800 miljoen voor het onderpand van DSB ongedaan had gemaakt, dan zou dat al een miljard euro hebben gekost. Omgerekend is dat 160 euro per Nederlands huishouden, voor een plan dat zeer waarschijnlijk niet zou hebben gewerkt.

Het zakelijk model van DSB was wankel, de klanten kregen overbodige producten aangesmeerd waarvoor zij te veel betaalden, ze werden boos en er ontstond een vertrouwenscrisis. Zo simpel is het. Als dit bij wijze van spreken een landelijke keukenboer was overkomen, zou niemand de aanvechting hebben gehad om de overheid tot een reddingsactie te verplichten. Maar DSB is een bank, én schept een nieuw precedent. Het is best mogelijk dat een volgende vertrouwenscrisis zich nog sneller voltrekt. De Staat blijft opgescheept met de aan haar opgedrongen rol als vangnet voor de financiële sector – al was het maar door de opgerekte depositogarantie tot 100.000 euro, die de klanten overigens voor 62.000 euro te danken hebben aan de kredietcrisis zelf.

Daar mag wel wat tegenover staan. Allereerst beter toezicht, meer instrumenten voor het toezicht, wellicht een standaardisering van financiële consumentenproducten. Maar ook de erkenning dat de financiële markt nu geen vrije markt is. Wie impliciet leunt op gemeenschapsgeld moet niet zijn rechten benadrukken, maar zijn plichten kennen.