Failliete bankiers

Met de Rolls Royce naar kantoor, een kunstcollectie vol Rembrandts en elke week baden in ezelinnenmelk: het kon niet op voor de Duits-Nederlandse bankier Fritz Mannheimer (1890-1939). Op 26-jarige leeftijd was hij als afgezant van de befaamde Berlijnse bank Mendelssohn & Co naar Amsterdam gestuurd. Door zijn inzicht in de geld- en valutamarkt maakte hij zo veel indruk op zijn bazen, dat ze hem vier jaar later de mogelijkheid boden om een eigen Amsterdamse vestiging te stichten. Vanaf het begin liepen de zaken goed. Al snel nam hij een sleutelpositie in binnen de internationale bankierswereld.

Mannheimer was (invloed)rijk, en dat liet hij graag zien. Zijn woning, achter het Rijksmuseum, werd in de volksmond ‘Villa Protski’ genoemd. Dure wijn, havanna’s en mooie vrouwen waren niet aan te slepen. Natuurlijk keken traditionele bankiers neer op het decadente gedrag van hun jonge collega met zijn weinig verfijnde smaak. Maar Mannheimer wist ook veel belangrijke figuren voor zich in te nemen. En erkenning bleef niet uit: na een gift van 15.000 gulden aan het Rijksmuseum werd hij benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Op dit toppunt van zijn roem ging Mannheimer door met spenderen, vaak met geld van zijn eigen bank. Het leidde tot schulden. Om deze in te lossen, voerde hij – midden tijdens de grote economische wereldcrisis – steeds gewaagder en schimmiger financiële transacties uit. Achteraf was het niet zo verwonderlijk dat vlak na een grote obligatieoperatie met Frankrijk er in 1939 geruchten opkwamen dat Mannheimers bank te weinig geld in kas had. De sneeuwbal begon te rollen. Ineens was het vertrouwen op, en korte tijd later ging de bank failliet. Mannheimer zelf maakte dat overigens niet meer mee; een dag voor het faillissement overleed hij onder mysterieuze omstandigheden.

We zijn zeventig jaar verder. Opnieuw is er een economische crisis en opnieuw is een bankier failliet. Naast verschillen tussen de patserige Mannheimer en de ‘gewoon gebleven’, springlevende Dirk Scheringa zijn er veel overeenkomsten: op beiden werd neergekeken door het financiële establishment, beiden investeerden in kunst, beiden kregen een lintje. En beiden namen in opkomst en ondergang een hele bank mee.