Zo knaloranje dat het pijn doet

Tentoonstelling Jan van Tongeren, componist van kleurvlakken. T/m 10/1 in Scheringamuseum voor Realisme, Spanbroekerweg 162, Spanbroek.****

Heel af en toe hangt er in een museum of op een tentoonstelling een stilleven van Jan van Tongeren (1897-1991). Dat is dan vaak een schilderij dat smaakt naar meer, en dat meer wordt nu geboden op een overzichtsexpositie van Van Tongerens werk in het Scheringamuseum in Spanbroek, waarvan het voortbestaan onzeker is sinds het faillissement van Dirk Scheringa. Er zijn 45 schilderijen te zien, veelal uit particuliere collecties. Chronologisch gepresenteerd geven ze een goed beeld van de sterke en zwakke kanten van de schilder en van de ontwikkeling in zijn oeuvre. Wat je eerder van hem zag, valt nu op zijn plaats.

In de jaren twintig en dertig was Van Tongeren tekenleraar en pas tegen 1940 raakte hij als schilder een beetje op dreef. Aanvankelijk maakte hij stillevens à la Dick Ket en Raoul Hynckes die helemaal op de stofuitdrukking zijn geschilderd: wat van metaal is oogt zwaar, eieren zijn breekbaar, een tafelkleed of doek met rafelranden is zacht. Alles staat er haarscherp op.

Eind jaren veertig komt de penseelstreek tevoorschijn. Contouren worden minder scherp, aardewerk krijgt iets kurkachtigs, papier en fruit zijn zacht als een molton dekentje. Voortaan maalt Van Tongeren niet meer om bloemblaadjes, houtnerven, stoflaagjes en barsten. De textuur van het schilderij wordt belangrijker dan die van het geschilderde. Aarden kruiken en nappen mogen heus nog wel eens meedoen, maar nu meer vanwege hun kleur of vorm dan vanwege hun oneffenheden.

Van Tongeren verlegt zijn aandacht van het detail naar het grote geheel. Midden jaren zestig zijn die twee mooi in evenwicht, bijvoorbeeld in een stilleven met houten en kartonnen dozen en een bruine pot: allemaal tinten lichtbruin op een kaarsrecht donkerbruin tafeltje. Maar aan al dat bruin wordt tegenwicht geboden door een rode doek en de gele binnenkant van de pot, en tegenover alle grote kleurvlakken staan een deukje in een trommel en een vouw in de deksel van de kartonnen doos.

En dan, eind jaren zestig, schiet Van Tongeren te ver door in zijn formele benadering. Het is alsof de leraar in hem opdrachten geeft. Schilder een stilleven in zwarten, witten en grijzen. Of met alleen maar witte voorwerpen. Schilder een stilleven met gitaar en wijnfles op de manier van Braque. Zo voorbeeldig uitgevoerd dat de schilderijen er bloedeloos van geworden zijn. Te strak, te klinisch, te uitgebalanceerd.

Gelukkig lijkt Van Tongeren dat te hebben ingezien, want na een paar jaar worden de stillevens weer levendiger. Dat heeft dan met de gekozen objecten en hun plaatsing te maken, maar meer nog met het kleurgebruik. De late Van Tongeren maakt rare, eigenwijze kleurcombinaties. In een Stilleven met oranjerode accenten zijn die accenten – een vierkant papiertje, een plastic schepje en de binnenkant van een emmer – zo knaloranje dat het bijna pijn doet aan de ogen. Vaak ook staan er veel verschillende groenen naast veel verschillende blauwen. Het vloekt aan alle kanten, en eigenlijk is dat een grote opluchting. Want die lichtelijk irritante kleurstellingen gaan de al te grote correctheid tegen in Van Tongerens stillevens.

Ook daar is over nagedacht, natuurlijk: dat een schilderij soms pas echt klopt als het niet volkomen klopt. Jan van Tongerens ontwikkeling verloopt zoals bij veel andere kunstenaars. Eerst krijgt hij greep op zijn onderwerp, vervolgens durft hij die greep los te laten, een loopje te nemen met zijn eigen regels.