Woensdag gebakdag

‘Ik heb iets aardigs meegemaakt”, zei een oude vriend.

Nu zeggen wel meer mensen die mijn beroep weten dat tegen mij, maar van hem nam ik het voetstoots aan, omdat ik hem niet kende als een man van overdrijvingen.

Hij liet me twee foto’s zien. Drie politiemannen in uniform (maar zonder pet) verlieten een bakkerij in een dorpsstraatje. Ieder droeg in zijn handen een zakje met een onzichtbare versnapering. Op de tweede foto kwam links hun geparkeerde politieauto in beeld. Mijn vriend had ze al veel vaker op een woensdag in ganzenpas de bakkerij zien betreden – woensdag was de dag van de tompoezen-in-de-aanbieding. Ditmaal kreeg hij een ingeving, pakte zijn fotocamera en legde het tafereel vast.

Ik bekeek de foto’s nog eens aandachtig. Ik kon me zijn artistieke reflex goed voorstellen. Het had iets ongewoon vertederends en geruststellends, drie agenten die in een wereld vol geweld en criminaliteit nog de tijd voor een smakelijke tompoes vonden. Bromsnor was even uit zijn graf opgestaan.

De agenten reden weg, ook al moesten ze iets van de fotograaf gemerkt hebben, want de camera had even geflitst. Mijn vriend liep naar boven. Even later ging de bel. Mijn vriend keek uit het slaapkamerraam en zag een appelgladde schedel. „Is er iets van uw dienst?” vroeg hij.

„Zijn er vanuit dit huis foto’s gemaakt van mij en mijn collega’s?” vroeg de man.

„Jazeker.”

„Waarom deed u dat?”

„Omdat ik het een leuk gezicht vond.”

„Weet u wel dat dit niet mag?”

„Hoezo, ik doe er toch niets mee?”

„U mag ons niet zonder toestemming fotograferen!”

„Pas als ik ze zou publiceren, kunt u er wat van zeggen.”

„Dat is niet waar. Wie bent u trouwens? Er staan twee namen op de deur.”

„Als u genoeg tijd heeft om naar de bakker te gaan, heeft u vast ook wel tijd om dat uit te zoeken. Ik wens u nog een prettige werkdag.”

Een vredig tafereel was omgeslagen in een onverkwikkelijk incident. Jammer, maar er viel mee te leven, althans voor mijn vriend. De volgende dag stond de wijkagent op de voicemail. Hij had een rapportje van zijn collega’s gekregen. „U heeft over het plein gelopen en gefotografeerd”, las hij voor.

„Ik was in mijn ochtendjas en ben niet op het plein geweest”, zei mijn vriend, „maar ik zal u de mooiste foto’s opsturen.”

Een halve week later. Het hoofd van de plaatselijke politie belt. „U heeft foto’s gemaakt van mijn mensen”, zegt hij.

„Heeft u gelachen of niet?”

„Nee. Ik hecht eraan dat mijn mensen zich fatsoenlijk gedragen en beschouw dit als een klacht. Ik heb de mannen op de mat geroepen. Volgens de regels kunnen ze per dienst een halfuur voor zichzelf besteden. Willen ze met een groepje naar de detailhandel, dan gaat er één naar binnen en blijven de anderen in de auto. Is uw klacht hiermee naar behoren behandeld?”

„Ik zou het geen klacht willen noemen”, zei mijn vriend, „maar het is aardig dat u belt en voor mij is het hiermee afgehandeld.”

„Wilt u deze conclusie ook doorgeven aan iedereen die u heeft ingelicht?”

Einde verhaal. We keken elkaar aan. „Een verstandige politiechef”, zei ik.