't Westen deed mee, zegt Iran

Een aanslag in Sistan-Baluchistan kostte vijf topcommandanten van de Revolutionaire Garde het leven, en 37 anderen.

Volgens Iran speelde het buitenland hierbij een rol.

De kisten van de slachtoffers van de zelfmoordaanslag van zondag werden gisteren voor de begrafenis in Iraanse vlaggen gewikkeld. Foto AP Draped with Iranian flags, coffins of victims of Sunday's suicide bombing are placed on a truck, during a funeral ceremony at the city of Zahedan, 960 miles (1600 kilometers) southeast of the capital Tehran, Iran, Monday, Oct. 19, 2009. The chief of Iran's powerful Revolutionary Guard accused the United States, Britain and Pakistan on Monday of having links with Sunni militants responsible for a suicide bombing that killed five senior Guard commanders and 37 others. A suicide bomber targeted a group of elite Revolutionary Guard commanders, killing 42 and injured dozens more in Pishin district in the southeastern province of Zahedan. (AP Photo / IRNA,Hossein Ali Rashki) AP

De verwaarloosde Iraanse provincie Sistan-Baluchistan, doorvoergebied voor drugs uit Afghanistan en thuisland van de sunnitisch-extremistische terreurgroep Jundollah, is berucht gewelddadig. De zelfmoordaanslag die zondag vijf topcommandanten van de Revolutionaire Garde het leven kostte, naast nog 37 gardisten, stamleiders en burgers, was echter zelfs naar Baluchi-maatstaven een zware klap.

De Revolutionaire Garde, het keurkorps van het islamitische regime naast de reguliere strijdkrachten, beloofde een „vernietigend” antwoord op de aanslag. Garde-commandant generaal-majoor Mohammad Ali Jafari beschuldigde de Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten van betrokkenheid en kondigde „vergeldingsmaatregelen” aan. President Ahmadinejad sprak ook van Pakistaanse betrokkenheid.

Jundollah (Soldaten van God) heeft op internet de verantwoordelijkheid opgeëist voor de zelfmoordaanslag in de stad Pishin. De dader bracht zich volgens de Iraanse media tot ontploffing toen een afvaardiging van de Garde en stamleiders het sportstadion binnengingen waar ze zouden praten over verzoening en samenwerking tussen de shi’itische overheid en de sunnitische meerderheid in deze provincie. Onder de doden zijn de adjunct-commandant van de landmacht van de Garde en de provinciale commandant.

Jundollah maakt er geen geheim van het gebruik van geweld geen probleem te vinden. Eind mei eiste het de verantwoordelijkheid op voor een bomaanslag in een shi’itische moskee in Zahedan, de belangrijkste stad van Sistan-Baluchistan. Daarbij vielen 23 doden en honderd gewonden. Vorig jaar vermoordde Jundollah alle zestien Iraanse grenswachten die het in het gebied had ontvoerd. De groep verspreidde ook videobeelden van de moord op twee van hen, die door het Saoedische tv-station Al-Arabiya werden getoond. De autoriteiten op hun beurt hebben verscheidene mensen opgehangen die ze van betrokkenheid bij Jundollah beschuldigden.

Jundollah-leider Abdolmalek Rigi (26) zei in mei 2006 in een vraaggesprek met de Iraanse oppositiesite Roozonline.com de wapens te hebben opgenomen om de rechten van de sunnitische Baluchi’s te verdedigen die werden achtergesteld en onderdrukt door het shi’itische regime. „Hebben we een andere optie dan gewapende strijd? Zij plegen genocide in onze provincie. Zij doden mensen gewoon omdat ze Baluchi’s of sunnieten zijn.” Hij zei echter niet uit te zijn op afscheiding van de provincie.

Er zijn aanhoudende beschuldigingen dat Jundollah, dat enkele honderden tot duizend man sterk wordt geschat, banden onderhoudt met het islamitische terreurnetwerk Al-Qaeda en met de drugssmokkel. Zelf ontkent de groep dat, maar zij claimde gisteren de aanslag op een site die door Al-Qaeda-sympathisanten wordt gebruikt. Iran voert in het grensgebied een keiharde oorlog tegen de opium- en heroïnesmokkelaars. Daarbij zijn sinds 1979 rond de 4.000 Iraanse politiemannen en militairen omgekomen.

De Iraanse beschuldiging dat het Westen bij Jundollah is betrokken, komt niet uit de lucht vallen. In The New Yorker schreef de Amerikaanse journalist Seymour Hersh vorig jaar juli dat de regering van toenmalig president Bush een pot had van 400 miljoen dollar waaruit dissidente groepen werden betaald om het regime in Teheran te destabiliseren. Een van de groepen die in het artikel werden genoemd, was Jundollah. Het is niet duidelijk of de huidige president Obama, die een politieke oplossing probeert te bereiken voor de controverse over het nucleaire programma van Iran, dit subsidiebeleid heeft gehandhaafd.

Het is bekend dat Jundollah in elk geval schuilt op Pakistaans grondgebied; de ontvoerde grenswachten die later werden vermoord, werden vorig jaar meegenomen naar Pakistan. Of Islamabad de groep ook steunt, is een tweede: daartegen pleit dat Islamabad vorig jaar vier Jundollah-leiders aan Iran uitleverde. Alle landen die door Iran werden beschuldigd, hebben elke betrokkenheid afgewezen en de aanslag veroordeeld.