Strategisch samen optrekken

Grote bedrijven zijn doodsbenauwd voor het oplopen van reputatieschade.

Ngo’s spelen hierop in en vergroten hun macht door zich Europees te organiseren.

Elk jaar een ‘gratis’ nieuwe telefoon als je een telefoonabonnement afsluit. Het is een populaire marketingtruc, maar daarbij nemen de aanbieders van die mobiele telefoons niet genoeg verantwoordelijkheid voor hun producten: ze doen bijvoorbeeld te weinig aan de slechte werkomstandigheden waarin arbeiders die telefoons produceren.

Dat is in het kort de bevinding van make IT fair, een Europees onderzoek naar de productie en verkoop van mobiele telefoons. Telefoonbedrijven als T-Mobile, KPN en Tele2 bieden ‘gratis’ een mobiele telefoon aan, maar houden daarbij ook amper rekening met de hoeveelheid ‘e-waste’ die deze vorm van marketing oplevert. Per persoon ligt de hoeveelheid elektronisch afval in Europa al op 15 kilo per jaar.

Make IT fair is een schoolvoorbeeld van Europese samenwerking tussen non-gouvernementele organisaties. De Nederlandse Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (Somo) coördineert het onderzoek. Daarnaast doen non-gouvernementele organisaties uit Duitsland, Zweden, Polen en Finland mee. Binnenkort voegt Hongarije zich daar nog bij.

„Doordat we dit onderwerp op Europees niveau aanpakken, kunnen we beter een vuist maken”, legt Schipper uit. „We staan ook sterker doordat we in alle landen lokaal gegevens kunnen verzamelen”, voegt zij eraan toe.

Bij traditionele organisaties, zoals Greenpeace of Oxfam Novib, is internationale samenwerking al langer gebruikelijk. Die grote organisaties hebben zelf ook in allerlei landen vestigingen. Maar ook steeds meer jonge ngo’s die zich op maatschappelijk ondernemen richten, kiezen voor samenwerking in Europa. Make IT fair is slechts één van de voorbeelden. In Brussel bestaat bijvoorbeeld sinds 2006 ook de European Coalition for Corporate Justice (ECCJ), een samenwerkingsverband waarin ngo’s lobbyen om de wetgeving in Brussel maatschappelijk verantwoord te krijgen.

De nauwere samenwerking hoort bij de strategische vernieuwing van ngo’s die zich met maatschappelijk verantwoord ondernemen bezig houden, zegt Mariëtte van Huijstee. Zij is onderzoeker bij Somo, maar doet ook onafhankelijk promotieonderzoek bij de Universiteit Utrecht naar de invloed van ngo’s op bedrijven. „Tien jaar geleden richtten ngo’s zich nog vooral op de overheid: die moest immers zorgen dat er regels kwamen voor bedrijven.”

Door globalisering zijn de productieketens van bedrijven langer geworden, en hebben zij wereldwijd meer en meer invloed. Daarom proberen ngo’s nu via direct contact met die bedrijven hun doelen te bereiken. Van Huijstee: „En daarin zoeken ze naar het maximaal mogelijke effect. Daar hoort internationaal samenwerken om hun doelen te bereiken ook nadrukkelijk bij.”

Ad hoc was tien jaar geleden het toverwoord bij campagnes, terwijl ngo’s nu strategisch én tactischer hun doelen bepalen. Ze kijken veel preciezer wáár in de productieketen het effect van hun acties het grootst is, legt hoogleraar politicologie Rinus van Schendelen van de Erasmus Universiteit Rotterdam uit. „Niet voor niets werkt een boycot van producten in de supermarkt goed: als klanten bepaalde sinaasappels laten liggen, koopt de supermarkt die niet langer in en dus wordt de producent daardoor wakker geschud.”

Een van de organisaties die de consument als middel gebruikt om bedrijven maatschappelijker verantwoord te laten produceren, is de Nederlandse organisatie Fairfood. Sinds 2002 lobbyt Fairfood voor duurzame producten in de supermarkt. Van suiker tot garnalen, van mango tot tonijn: op hun website staat een lijst met producten die relatief fair zijn geproduceerd.

Alleen nationaal actief blijven was geen optie, legt Emma Herman van Fairfood uit. Haar organisatie ontwikkelt zich razendsnel: vorig jaar opende het een vestiging in Brussel, dit jaar in Berlijn en daar komen binnenkort nog lobbykantoren in Londen en Parijs bij. Daarnaast is Fairfood aangesloten bij twee Europese lobbykoepels.

Deze formele kant van samenwerking is belangrijk, maar overleg gebeurt ook veel informeel, legt Herman uit: „Vooral de onderzoeksafdeling wisselt continu informatie uit. Als een andere ngo al onderzoek heeft gedaan naar een bepaalde productieketen, hoeven wij het wiel niet opnieuw uit te vinden.”

Zo’n samenwerking in Europa is verder nuttig omdat bedrijven waarop Fairfood en veel andere ngo’s zich richten, zelf ook multinationaal zijn. Hoofdkantoren zitten in Brussel, Londen of Parijs. En zoals Herman het zegt: „Direct aan tafel zitten bij de hoofdrolspelers, dat praat een stuk makkelijker en werkt sneller.”

Tot slot is Europees samenwerken een goede manier om in aanmerking te komen voor financiering uit Brussel, een belangrijke financieringspot voor ngo’s. Ook het make IT fair-programma is met geld van de Europese Commissie tot stand gekomen. Die subsidie maakt ook dat de samenwerking tussen ngo’s niet al te romantisch moet worden voorgespiegeld. Hoogleraar Van Schendelen ziet veel concurrentie tussen ngo’s: alleen in Brussel al zitten honderden organisaties die geld uit ‘Europa’ willen. Naar schatting is er jaarlijks 1 miljard euro te verdelen onder ngo’s. „Maar daarmee blijft ook de ngo-wereld gewoon een markt, waarin organisaties elkaar de tent uitvechten voor hun bestaansrecht.”