Echte liefde laat zich niet in een lijstje vangen

Oppervlakkige en valse verbeeldingen van liefde spelen bij de zoektocht naar de ware een voorname rol.

Filosoof Jan Drost stelt dat je je daarvan kunt bevrijden.

Van Jean-Jacques Rousseau is bekend dat hij eens een beeldschoon meisje in zijn armen hield, ze goed op weg waren, elkaar zoenden en streelden en langzaam maar zeker elkaar uit de kleren hielpen, maar dat hij, toen hij haar borsten onder ogen kreeg en zag dat aan één borst de tepel ontbrak, plotseling het weerzinwekkende gevoel had een monster in zijn armen te houden.

Na deze anekdote kan Rousseau bij de meeste mensen (niet alleen vrouwen) geen goed meer doen. Toch kan dit nogal wrede voorbeeld je aan het denken zetten over liefdesidealen.

Aan welk ideaalbeeld moet iemand voldoen om jouw ware geliefde te kunnen zijn? Hoe moet hij of zij er van buiten en van binnen uitzien? Welk lijstje houd je er, al dan niet bewust, op na? En is het een redelijk lijstje – redelijk in de zin dat het je in de juiste richting leidt bij het zoeken naar de vervulling van je wensen? Waarom zou dat meisje niet vreselijk veel van hem kunnen houden?

Probeer jouw wensenlijstje maar eens op papier te krijgen. En zorg dan dat het een eerlijk lijstje is. Houd het desnoods voor anderen verborgen, een eerlijk lijstje kan onder alleen je eigen ogen al erg genoeg zijn.

Het is opvallend dat vrijwel iedereen een lijst heeft waaraan de ander moet voldoen, maar dat bijna niemand een lijst heeft waaraan hij of zij zelf moet voldoen. Als wij er zulke hoge eisen op na houden, is het dan niet redelijk dergelijke eisen ook aan onszelf te stellen? Wie zijn wij dat zo’n volmaakte geliefde zich aan ons zou willen verbinden?

Bijna iedereen zal het erover eens zijn dat de eis van Rousseau, namelijk dat een vrouwenlichaam symmetrisch moet zijn en niet uit de toon mag vallen door afwijkingen, hard en zelfs onmenselijk is.

Kan dat meisje er iets aan doen dat ze eruitziet zoals ze eruitziet? En belangrijker: wat heeft dat met liefde te maken? Waarom zou dat meisje niet vreselijk veel van hem kunnen houden? Haar liefde zat toch niet in die ene verdwenen tepel opgeslagen, zoals energie in een knoopcelbatterijtje? En omgekeerd, waarom zou Rousseau niet van haar kunnen houden?

Het is interessant om vervolgens naar ons eigen ideaallijstje te kijken. Terwijl wij Rousseau een schurk vinden, zien wij geen discrepantie in het feit dat wijzelf onze liefde zoeken bij vrouwen met blond haar en een altijd zonnig humeur, en bij mannen die lang zijn en sterk. Het lijkt erop dat wij meer met Rousseau gemeen hebben dan wij misschien willen toegeven.

Is het niet wonderlijk en vreselijk dat wij liefde zo ongeveer het belangrijkste in het leven vinden, maar dat wij er tegelijk met zulke ondoordachte en zelfs idiote ideaallijstjes in onze hand naar zoeken? Alsof wij met een dergelijke verwrongen landkaart ooit op onze plek van bestemming zullen komen.

Op een avond vroeg een vrouwelijke collega mij vriendelijk doch dringend nog even iets met haar te drinken. Bij een rode wijn begon ze haar hart uit te storten. Echt goed kende ik haar niet en ik vroeg me af waarom ze mij blijkbaar tot een soort Liefdesdokter had gepromoveerd. Ik geef toe dat het mijn ego streelde. Tegelijk hoopte ik oprecht iets voor haar te kunnen betekenen. Ik besloot te beginnen bij haar gedachten. Wellicht dat daar iets kon worden rechtgezet.

Ze was begin dertig, niet onaantrekkelijk en ze was beslist niet dom. We spraken over ideaalbeelden. Openhartig vertelde ze hoe zij eigenlijk nog steeds verlangde naar de liefde zoals die wordt beschreven in de Bouquetromannetjes die zij las toen zij vijftien was. „Ik weet dat het belachelijk klinkt”, zei ze met tranen in haar ogen, „maar ik kan er niets aan doen. Ik weet dat het onrealistisch is, maar toch wil ik het zo. Ik wil het niet en toch wil ik het.”

We bestelden iets te eten; zij een salade, ik een Griekse aardappelschotel die nogal zwaar op de maag lag. Ik vroeg haar om zo nuchter mogelijk naar haar ideaallijstje te kijken. Een opsomming van uiterlijkheden. Een gespierde Ken-achtige man met geld, een snelle auto, vol aanbidding voor haar en bovendien bedreven in het organiseren van etentjes bij kaarslicht met vioolmuziek op de achtergrond. Liefde als hartstocht, als één lange aaneenschakeling van passievolle momenten. Was dat liefde? Was dat hoe een gelukkig leven voor haar eruitzag?

Ja, zei ze, ja en nee, ja. Maar hoe zouden deze zaken haar een leven vol liefde kunnen bezorgen? Waar zat het verband? Ik zie het niet, zei ik, ik zie geen verband. En wat hoop je precies van wie te krijgen? Is liefde een dosis aandacht en sieraden? Je zegt dat je je de laatste tijd steeds eenzamer voelt. Denk je dat dit gevoel verdwijnt als je leven oplost in een Bouquetromannetje? Dekken dergelijke verhalen de lading van een mensenleven? Is dat werkelijk alles wat nodig is? „Ik haat ze, die flutromannetjes”, zei ze, „ik haat ze, ik haat ze.”

En gelijk had ze, want het daarin beschreven leven had zich zo diep in haar verbeelding genesteld, was zo bepalend in haar innerlijke wereld ingesleten, dat ze, al was ze de dertig gepasseerd en wist ze inmiddels meer en beter, er toch niet van kon loskomen. Ze bleef ernaar verlangen, ten koste van de liefde die ze mogelijk op haar weg tegenkwam, maar niet als zodanig kon herkennen. Ik moet nauwkeuriger zijn, het was erger: ze herkende haar kansen wel, ze wilde ze ook wel, maar ze kon ze niet toelaten. Het ideaal regeerde over haar binnen- en buitenwereld en liet haar bestolen achter.

Al liet ik het niet merken, ik was geschokt over de hardnekkigheid van idealen die in ons blijven woekeren, zelfs nadat we hun lelijkheid hebben blootgelegd. Geschokt ook omdat ik, met al mijn geloof in menselijke denkkracht, geconfronteerd werd met een volwassen vrouw die volkomen weerloos was tegen – ja, tegen volstrekte kitsch.

Hoe is het mogelijk dat wij, terwijl wij donders goed weten dat liefde ons leven is, en ons leven liefde zou kunnen zijn, ons bij onze zoektocht laten leiden door de meest oppervlakkige en valse verbeeldingen van liefde die onze quasiromantische cultuur te bieden heeft? Flutromannetjes, tijdschriften, glossy’s, tv-series, Hollywoodfilms, vul maar aan. Maar daar is liefde niet te vinden. Integendeel.

Het komt erop aan je ideaallijstje op papier te zetten, het verlangen bewust te maken en er dan met alle redelijkheid die je in je hebt de onrealistische, onjuiste en onmenselijke eisen vanaf te krassen. Uiteindelijk wil je niet worden bemind door een wandelend ideaalbeeld, door een zelfgefabriceerde pop. Daarin is geen liefde. Daarin kom je alleen jezelf tegen.

Uiteindelijk, nadat je jezelf van een hoop onzin hebt bevrijd, is er een reële kans dat het verlangen ontwaakt naar de aanwezigheid van een ander. Naar iemand die er werkelijk is en voor jou wil zijn, en jou op zijn of haar geheel eigen wijze zal liefhebben. Vanuit zichzelf. Daaraan is niets te doen – hoe machteloos is het dit te erkennen – behalve dankbaar zijn. En geven zoveel je kunt.

De flutromannetjesvrouw heb ik na die avond nog een paar keer zien lopen, daarna niet meer. Van een collega begreep ik dat ze naar familie in het buitenland is verhuisd. Het scheen dat ze haar moeder erg miste. Ik hoop dat het goed met haar gaat. En dat ze een beetje oppast met de boeken die ze leest. Er staat nogal wat op het spel.

Jan Drost is filosoof en doceert aan de Hogeschool van Amsterdam het keuzevak De liefdesrelatie.