Bos blijft erbij: DSB was niet meer te redden

DSB was „levensgevaarlijk” bezig. De curatoren van de failliete bank schoven gisteren de schuld voor het debacle weer terug in de richting van oprichter en topman Dirk Scheringa.

Kapotgemaakt door het establishment. Of was het toch zelfdestructie?

Dirk Scheringa verkondigde gisterenochtend luid dat het de schuld van De Nederlandsche Bank en vooral minister van Financiën Wouter Bos is dat zijn DSB Bank gisteren failliet ging. Bos wilde immers geen belastinggeld gebruiken om zijn bank overeind te houden.

De gevestigde orde sloeg gistermiddag terug en stelde dat het vooral de verkeerde beslissingen van Scheringa zelf waren die tot de ondergang hebben geleid. Met het faillissement van DSB Bank gisterochtend is het elkaar de schuld toeschuiven echt begonnen.

„De bank is niet failliet gegaan omdat niemand de bank wilde redden. De bank is failliet gegaan omdat die in grote problemen zat. En de bank is door eigen handelen in problemen gekomen”, verklaarde Wouter Bos gisteren op een persconferentie op Schiphol.

Ook Joost Kuiper, een van de twee curatoren van DSB, maakte duidelijk hoe volgens hem DSB Bank zichzelf naar de ondergang werkte. „Het is bij DSB te laat doorgedrongen dat het verdienmodel op basis van provisies niet meer kon werken.” Kuiper, voormalig bestuurder van ABN Amro, zei dat het bedrijf bezig was met een „levensgevaarlijke mismatch” omdat het zelf leningen aanging met een korte looptijd en dat geld vervolgens voor lange tijd uitleende via hypotheken.

DSB stopte in april met het verkopen van verzekeringen met zeer hoge provisies. Daar was jarenlang kritiek op geleverd vanuit de politiek en door stichtingen, die gedupeerden vertegenwoordigden die met die dure producten waren opgezadeld. Met het wegvallen van de hoge provisies daalden de inkomsten, waardoor DSB ook lagere spaarrentes kon bieden. Zo moest de bank steeds vaker de internationale geldmarkt op en werd ze kwetsbaar.

Scheringa ging tijdens zijn persconferentie vol in de aanval. Hij noemde het „krankzinnig” dat een volgens hem gezonde bank in een normaal land failliet kon gaan. Zijn bank moest kapot. ‘Ze’ moesten hem niet. Daar is Scheringa van overtuigd.

Maar over de gezondheid van de bank van Scheringa waren Bos en de curatoren heel duidelijk. Zij geloofden snel na de uitlatingen van Pieter Lakeman op 1 oktober al niet meer in het onafhankelijk doorgaan van DSB Bank. De uitstroom van spaargelden was te groot, de reputatieschade enorm en er was onzekerheid over de claims die het bedrijf nog te wachten stond.

Ook een overname bleek een lastige optie. Bos weigerde de gevraagde garantie van 5 miljard af te geven. Hij vreesde dat geld nooit meer terug te zien. „Eigenlijk was vorige week zondag wel duidelijk bij iedereen die er verstand van heeft dat deze bank niet meer te redden was.”

De minister reageerde laconiek op de aantijgingen van Scheringa dat DSB met 100 miljoen gered had kunnen worden. Nu, zo zei Scheringa, is er een maatschappelijke schade van 1,5 miljard euro. „De afweging tussen 1,5 miljard en 100 miljoen is natuurlijk een moeilijke. Als hij zegt dat ik niet kan rekenen, zeg ik ja, dat is goed hoor. Maar als vijf Nederlandse banken die een goede reden hebben om te helpen dat niet doen omdat er 300 miljoen bij moet en er een garantie nodig is van 5 miljard, dan ga ik er toch vanuit dat zij een goede rekensom hebben gemaakt”, sneerde Bos.

Scheringa had gisteravond bij Pauw en Witteman het laatste woord van de dag. Onbegrijpelijk dat minister Bos had gezegd dat zijn bank niet meer te redden was. „Ik moest gewoon weg.” Waarom? „Te bedreigend voor de concurrentie? Wij hadden natuurlijk uitstekende producten. Misschien dat de andere banken het beter vonden dat wij van de markt waren.”

Maar wat hebben de andere banken eraan dat DSB failliet gaat, als ze zelf fors moeten meebetalen aan de garantieregeling voor spaarders? „Ja, maar ze krijgen nu ook meer klanten”, reageerde Scheringa.

En hij zag ook wel een belang voor bewindvoerders Schimmelpenninck en Kuiper bij een faillissement. Als de bank failliet zou gaan, zouden zij tot curatoren worden benoemd. „En daar hebben zij een groot financieel belang bij. In de begroting die ik heb gezien staat 200 miljoen aan liquidatiekosten. Dat gaat vast niet allemaal naar de curatoren, maar wel een groot deel.”