Als je een aap bent, vind je dit griezelig

Apen kijken graag naar echte apen of nep-apen. Maar niet naar net echte robotapen.

Dat suggereert dat er een biologische basis aan ten grondslag ligt.

Weinig dingen zien er zo griezelig uit als een robot die heel erg op een mens lijkt, maar toch duidelijk geen mens is.

Waarom dat zo eng is, is nog niet duidelijk. Volgens sommige wetenschappers hebben mensen in de loop van de evolutie een reactie van walging ontwikkeld als ze iemand zien die ziek is, want die zou weleens besmettelijk kunnen zijn. En misschien doet zo’n net echte robot al dan niet bewust denken aan een zieke. Volgens anderen activeert het zien van een net echte menselijke robot wel het soort beoordelingsmechanismen dat we normaal voor echte mensen gebruiken, maar voldoet zo’n robot dan niet aan de schoonheidscriteria waar mensen wel aan voldoen: het gezicht heeft niet de goede proporties, de ogen hebben bijvoorbeeld niet de goede grootte. En dan zijn er nog onderzoekers die menen dat het zien van net echte mensachtige robots ons aan de dood doet denken. En ja, natuurlijk is dat eng.

Hoe het ook zij – wat we nu wel weten, is dat java-apen het ook griezelig vinden als ze een net echte java-aap zien. Naar filmpjes met echte apen of duidelijke nep-apen erin kijken ze best graag. Maar als ze een nep-aap te zien krijgen die heel erg op een echte aap lijkt, kijken ze liever de andere kant op, schreven neurowetenschappers van Princeton vorige week in het wetenschappelijke tijdschrift PNAS.

Het verschijnsel dat we net echte robots zo eng vinden, wordt de uncanny valley (het enge dal) genoemd. De Japanse robotonderzoeker Masahiro Mori gebruikte die term in 1970 voor het eerst. Over het algemeen vinden we robots juist schattiger naarmate ze meer op een levend wezen lijken: robothond Aibo is een aantrekkelijker wezentje dan de robot die aan de lopende band in een fabriek auto-onderdelen vastzet.

Echte, levende wezens vinden we nog aantrekkelijker. Maar als je dat allemaal in een grafiek uitzet (echtheid op de horizontale as en aantrekkelijkheid op de verticale) zit er een diep dal bij de realistische robots. Die zijn niet schattig of aantrekkelijk, die zijn eng. Dat diepe dal in de grafiek is de uncanny valley.

Dat makaken ook in dat dal vallen, suggereert dat er een biologische basis aan ten grondslag ligt. In het onderzoek kregen vijf mannelijke java-apen filmpjes en foto’s te zien met echte soortgenoten erin, en met zwart-witte nep-apen met rode ogen, en met bijna echte apen. Bij die laatste categorie keken ze vaker weg.

Alle vijf de apen deden dat, ongeacht wat voor snuit de aap of nep-aap op het scherm trok – het ging op voor neutrale apengezichten, vriendelijke apengezichten met getuite lippen, en krijsende apengezichten met ontblote tanden.

Bij bewegende gezichten (filmpjes) was het uncanny valley-verschijnsel nog ietsjes duidelijker te zien dan bij stilstaande gezichten. De apen vonden de filmpjes over het algemeen interessanter dan de foto’s: ze keken er langer naar, waren er dus misschien meer bij betrokken.

Het zou natuurlijk kunnen dat de apen die naar een net echte aap kijken, iets heel anders ervaren dan mensen die een net echte mensrobot zien. Maar het ligt veel meer voor de hand om te denken dat beide gevallen op hetzelfde principe berusten.

Alleen, wat dat principe precies is, weten we nog niet. Worden we zo ongemakkelijk en angstig van die realistische robots omdat ze ons aan ziekten doen denken, of aan de dood? Geen idee, maar in elk geval zijn we niet de enige diersoort die er last van heeft. Dat is alvast een hele troost.