Vrouwen willen minder vaak een topcarrière

Er valt van alles op te merken over het door 215 prominente vrouwen ondertekende pleidooi voor een verplicht quotum van 40 procent vrouwen in commissariaats- en toezichtsfuncties (uiterlijk in 2014). Voor het niveau van de verdere discussie en, belangrijker, de doorstroming van vrouwen naar topfuncties is het echter te hopen dat de opmerkingen van Elsbeth Etty niet maatgevend zijn voor het vrouwelijk denkniveau in het algemeen (Opiniepagina, 6 oktober). Etty vergelijkt in haar column het (anti-quotum-)argument dat Nederlandse vrouwen nu eenmaal minder ambitieus zijn dan mannen, met „de bewering van blanke werkgevers in Zuid-Afrika die ooit vertelden hoe blij en tevree hun domme zwartjes waren”. Zij refereert daarbij aan het ‘gesnater’ van ‘gansje’ Marike Stellinga, de Elsevier-redacteur die in een recent boek wijst op dit man-vrouwverschil.

Ten eerste werd destijds aan de Zuid-Afrikaanse ‘zwartjes’ niets gevraagd. Alleen al daarom gaat de vergelijking mank. Maar intellectueel verontrustender is dat Etty blijkbaar denkt: als de werkelijkheid niet klopt met mijn ideologie, dan moet die werkelijkheid maar aangepast.

Daarmee toont ze zich een eigentijdse versie van boer Koekoek. Dit roemruchte Tweede Kamerlid (1963-1981) voor de Boerenpartij riep ooit, toen hij werd geconfronteerd met cijfers die het tegendeel aantoonden van wat hij had betoogd: „Cijfers, daar heb ik niks an, feiten moet ik hebb’n!”

Elsbeth Etty doet hetzelfde. De bewering dat vrouwen minder vaak een topcarrière nastreven dan mannen komt namelijk niet uit de lucht vallen, maar is gebaseerd op onderzoek waarin vrouwen dat zelf aangeven. Onder meer in het rapport ‘Nederland Deeltijdland. Vrouwen en Deeltijdwerk’ (2008) van het Sociaal Cultureel Planbureau. Onder redactie van Wil Portegijs en Saskia Keuzenkamp.

Tom Nierop

Amsterdam