Te laat en te complex

Minister Donner (Sociale Zaken, CDA) en de regeringspartijen zijn het sinds vorige week eens. De AOW-leeftijd wordt in 2020 in één klap verhoogd tot 66 jaar. Het kabinet gaat deze en andere maatregelen nu verwerken tot een wet die pas over tien jaar daadwerkelijk zijn beslag zal krijgen. Tot die tijd zullen er nog zeker driemaal verkiezingen worden gehouden (2011, 2015 en 2019) en kunnen in theorie drie volgende kabinetten de wet nog ongedaan maken.

Dit soort ingrijpende maatregelen volgt altijd de weg van geleidelijkheid. Maar omdat het kabinet het niet heeft aangedurfd om binnen de eigen regeertermijn te beginnen, weten burgers, bedrijven en pensioenfondsen nog maar half waar zij aan toe zijn, hoewel het probleem toch acuut is.

Dat is niet de enige kritiek die op voorhand denkbaar is. De manier waarop aan dit compromis is gewerkt, was net zo monistisch als in de verzuilde jaren. Toen de sociale partners niet tot een gezamenlijk advies kwamen, ging de coalitie onderling in conclaaf. Daarmee is niet alleen het parlement als medewetgever op achterstand gezet, maar zijn ook adviesorganen als de Raad van State wat buitenspel gezet.

Omdat het onwaarschijnlijk is dat de politieke onderhandelaars alle juridische valkuilen hebben gezien en ontlopen, kan de kwaliteit van de wetgeving in het geding komen. Dat is een verontrustend vooruitzicht omdat het plan door talloze uitzonderingsbepalingen voor generaties en beroepen veel gecompliceerder is dan het, als té complex verworpen, idee om de leeftijd stapsgewijs te verhogen. Daarbij blijft het niet. Het voornemen te rekenen in arbeidsjaren, als een burger toch met 65 met pensioen wil, ondermijnt het beginsel dat de AOW er voor iedereen is, ongeacht arbeidsverleden. Alleen het aantal verblijfsjaren in Nederland speelt een rol.

Ook politiek is het compromis wankelmoedig. De coalitie maakt een abrupt onderscheid tussen burgers die voor en na 1 januari 1955 zijn geboren, zonder dat duidelijk is wat er op die dag concreet gebeurd is om zo’n ‘harde knik’ te rechtvaardigen. Mogelijk spelen hierbij electorale motieven een rol. Een maatregel die pas over elf jaar ingaat, zal minder verzet oproepen dan een wet die volgend jaar van kracht wordt. Bovendien zijn de eerste ‘cohorten’ van de naoorlogse geboortegolf talrijker dan de ‘verloren’ en andere generaties, die vanaf 1955 zijn geboren en getogen. Kwantitatief is de ‘babyboom’ dus een invloedrijkere factor voor dit kabinet.

De oudere generaties mogen met recht aanspraak maken op een verzorgde oude dag. Maar jongeren hebben ook hun aanspraken. Zij hebben er recentelijk weer tientallen miljarden aan staatsschuld bij gekregen als gevolg van de kredietcrisis. Er moet iets gebeuren. En snel. Maar er zijn maatregelen denkbaar die alle generaties recht doen, die geleidelijk maar snel worden ingevoerd en die ook op kortere termijn ingaan. Dit AOW-plan voldoet niet aan deze voorwaarden.

Hoe het beestje ook genoemd zal worden, wat er vorige week is opgetuigd kan de titel ‘besluit’ nauwelijks dragen.