Spreken is zilver, zwijgen is wettelijk verplicht

De politietop krijgt weinig ruimte, zei korpschef Welten zaterdag in NRC Handelsblad.

Zijn voorganger Nordholt is niet verbaasd dat de minister hen ‘de mond wil snoeren’.

V.l.n.r.: Minister Guusje Ter Horst, Korpschef Bernard Welten en burgemeester Job Cohen . Foto’s Peter Brom, WFA en Peter Hilz. Beeldbewerking Studio NRC Nederland, Den Haag, 10 maart 2009, Guusje ter Horst, PvdA minister van Binnenlandse Zaken, vragen over het aannamebeleid van korpschefs in Nederland. Minister Guusje ter Horst (Binnenlandse Zaken) heeft de benoeming van een nieuwe, blanke korpschef van de politieregio Zuid-Holland-Zuid niet alleen tegengehouden vanwege de huidskleur van de man. Volgens haar speelde er meer. tijdens hetwekelijkse vragenuurtje in de Tweede Kamer. PvdA Partij van de Arbeid foto: Peter Hilz Hilz, Peter

Als beginnend wethouder in Amsterdam was Guusje ter Horst erbij toen oud-politiechef Eric Nordholt in 1994 stevig de mond werd gesnoerd.

Nordholt had al een reputatie van publicitair enfant terrible. De druppel was dat hij zich tijdens de toenmalige IRT-affaire over opsporingsmethoden zou hebben gemanifesteerd als ‘de kroonridder van de gerechtigheid’. Een formele zwijgplicht vond de geschoffeerde burgemeester Schelto Patijn destijds net wat te ver gaan. Wel moest Nordholt zijn „publicitaire optreden” voortaan afstemmen met Patijn, naast burgemeester ook korpsbeheerder.

De korpschefs van de vier grote steden waren in die jaren veelvuldig in het nieuws. Tot ongenoegen van hun eigen ministers en burgemeesters bepaalden zij het debat over criminaliteitsbestrijding én de toekomst van de politie zelf.

Nu, ruim vijftien jaar later, wil minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) de invloed van de korpschefs definitief inperken. In haar wetswijziging van de Politiewet, die dit jaar van kracht moet worden, staat dat zij politiebeleid bespreekt met bestuurders, de korpsbeheerders. Als korpschefs haar iets te melden hebben, moeten zijn dat via de korpsbeheerder doen. „Ik ben van de school dat je als minister formeel alleen praat met degene die bestuurlijk verantwoordelijk zijn. In het geval van de politie zijn dat de korpsbeheerders”, aldus Ter Horst op websitevoordepolitie.nl.

De huidige korpschef van Amsterdam, Bernard Welten, zei zaterdag in NRC Handelsblad dat Ter Horst „nooit” met politiemensen praat. Ook oud-korpschef Nordholt, zelf ooit genoemd voor het burgemeesterschap, is niet verbaasd over haar opstelling. „Indertijd, in 1994 in de Amsterdamse gemeenteraad, hoorde zij al tot de categorie PvdA’ers die een hekel hadden aan uniformen en authentieke opvattingen”, aldus Nordholt. „Maar Bernard komt nog uit de oude school, die laat zich de mond niet snoeren. De rest van de korpschefs hoor je niet. Daar zijn ze op geselecteerd.”

In zijn tijd was dat anders. De oud-korpschefs van de vier grote steden, Nordholt, Wiarda (Utrecht), Brandt (Den Haag) en Hessing (Rotterdam) lieten zich uit over politiereorganisaties, over bezuinigen, de opkomst van criminele Antilliaanse en Marokkaanse jongeren. De vier kregen in 1993 zelfs de Machiavelliprijs voor overheidscommunicatie.

De toenmalige Politiewet uit datzelfde jaar liet de korpschefs ook de vrijheid om grenzen op te zoeken. „Dat deden we omdat we wisten waar het over ging”, zegt Nordholt.

„Wij hadden de politiereorganisatie in gang gezet en wisten waar het naartoe moest. Patijns voorganger, Ed van Thijn, had me ook naar Amsterdam gehaald om daar uitvoering aan te geven. Want hij wist zelf niet hoe dat moest. We hadden ook ideeën over de criminaliteitsbestrijding. Niet de korpsbeheerders, daar kwam de vernieuwing niet vandaan. Ook niet vanuit het ministerie. Wij bepaalden, met kracht van argumenten, de toekomst van de politie.”

De installatie van Patijn was een cultuuromslag, herinnert Nordholt zich. „Vooral binnen de PvdA was er een luide roep om ons de mond te snoeren. De een werd gepensioneerd, de ander in Parijs gedetacheerd en de derde overgeplaatst. Alleen ik was niet weg te krijgen.”

Volgens de oud-korpschef is er één ding over het hoofd gezien. „Je kunt de politietop wel het zwijgen opleggen, maar er is te weinig voor in de plaats gekomen. Van de korpsbeheerders komen de creativiteit en de vernieuwing niet. Want de burgemeesters zijn er sindsdien niet beter op geworden. Hetzelfde geldt voor de ambtenaren op het ministerie.”

De politie wordt teruggezet in de tijd van Thorbecke, oordeelt Nordholt. „Toen was het adagium ‘van de politie moeten bestuurders zo weinig mogelijk zien en zo min mogelijk horen’. Maar niemand lijkt zich af te vragen of de korpsbeheerders in deze tijd het vacuüm dat de politie achterlaat, wel kunnen opvullen. Je ziet dat bij die rellen in Hoek van Holland. Alle bestuurders hebben daar collectief gefaald en Aboutaleb, als onervaren burgemeester, was niet in staat om in te grijpen. Met als gevolg dat er nu politiefunctionarissen zijn geschorst en hun korpschef daar publiekelijk geen stelling tegen kan nemen.”