Hoge nood tijdens 'De storm'

Ik kan mij niet herinneren ooit uit een filmvoorstelling te zijn weggelopen. Maar na twintig minuten De storm had ik plotseling behoefte aan een plaspauze. Misschien kwam het door al dat water dat met bakken uit de hemel valt, terwijl de Zeeuwse stromen met onberekenbare kracht tegen de dijken en kaden beuken. Indrukwekkende beelden van onstuimig golvend water dat in die koude februarinacht de delta werd ingestuwd.

In de duisternis doemen lichten op en dichterbij gekomen zien we een boer die twee of drie koeien een schuur indrijft, of eruit, dat was me niet helemaal duidelijk. In korte tijd worden de elementen en handelingen getoond die zich tijdens de ramp ook in de werkelijkheid hebben voltrokken. Tot zover is De storm een min of meer getrouwe en ingenieus vervaardigde weergave van de desastreuze gebeurtenissen die in de nacht van zondag 1 februari 1953 in zuidwest Nederland plaatsvonden.

Daarna beginnen fictie en werkelijkheid te wringen. Terwijl mannen de vloedplanken op hun plaats brengen, wordt in het plaatselijke café-restaurant tot ver na middernacht feest gevierd. Wie het oude Zeeland heeft gekend, weet dat in die tijd op zaterdagavond in de gehele archipel alle horecagelegenheden ruim voordat de Dag des Heren begon waren gesloten.

In 1953 bezat Nederland welgeteld één helikopter, die pas op maandag kon opstijgen. Maar in De storm zien we de held van het verhaal, een Zeeuwse jongen die bij de marine in Den Helder is gestationeerd, met een helikopter naar Zeeland vliegen om te zien hoe zijn familie het er afgebracht heeft en er en passant de heldin van het verhaal van de verdrinkingsdood redt.

Het duurde even voor ik door had dat niet de Ramp het thema van De storm is, maar het streekromanachtige gegeven van de boerendochter en de voorechtelijke conceptie van een kind, waarvan we het voorspel tussen de gitzwarte buien door in zoet gekleurde taferelen van het boerenleven krijgen te zien. En daar komen zonder meer kindertjes van.

Waar mijn blaas van opspeelde was de onechtheid van het tableau vivant waarin de aan Zeeuwen toegeschreven eigenschappen als godsvrucht, zuinigheid en eigenbelang werden verbeeld. Maar de strenggelovige vaderfiguur die op basis van goddelijke decreten het bestaan van zijn bastaardkleinzoon ontkend, is mij niet gereformeerd genoeg. Hij draagt zijn boerenkleren als een toeristische attractie. Bovendien liep in de jaren vijftig de helft van de Zeeuwse vrouwen nog in klederdracht. Ik geloof dat ik een of twee Zeeuwse kappen heb gezien. Om mijn eigen watersnood te lenigen hielp het dat er nauwelijks toeschouwers waren, zodat ik zonder iemand lastig te vallen de zaal kon verlaten. In het toilet dacht ik dat ik misschien wel trek had in Engelse drop of een Mars. Dus liep ik naar beneden, naar de grote foyer die op het bedienend personeel na verlaten leek.

Maar ik was niet de enige die het drama voor gezien had gehouden. Aan de bar stond mijn vriend Peter Bulthuis. Hij was twaalf toen hij in Zierikzee van het dak werd gehaald, ik was negen jaar toen ik van de slaapverdieping in ons huis in Middelharnis in een roeiboot werd neergelaten. De rest van de voorstelling hebben we met een kop koffie in de foyer gezeten en herinneringen aan onze eigen ramp opgehaald. Als bejaarde overlevenden van de Watersnoodramp hebben we De storm bij wijze van spreken niet overleefd.