Hoe 'A' van Algemeen uit de verzekering verdween

Met de afbraak van de volksverzekeringen wordt de erfenis van Drees en Suurhoff vernietigd, meent Paul de Beer.

Tussen alle argumenten voor of tegen een hogere AOW-leeftijd die de afgelopen weken de revue passeerden, ontbrak het meest fundamentele punt: de meeste AOW-voorstellen komen neer op het afscheid nemen van de AOW als volksverzekering.

Nederland kent sinds een halve eeuw een sociaal stelsel dat is opgebouwd uit werknemersverzekeringen en volksverzekeringen. De werknemersverzekeringen – zoals de WW en de WIA – beschermen werknemers tegen verlies van hun baan, de volksverzekeringen bieden bescherming aan alle ingezetenen, ongeacht of zij aan die verzekering hebben bijgedragen. Die combinatie van beroepsgerelateerde uitkeringen en universele uitkeringen maken in belangrijke mate het unieke karakter van de Nederlandse verzorgingsstaat uit, waarin wij ons decennialang internationaal onderscheidden.

Het stelsel van volksverzekeringen – herkenbaar aan de ‘A’ (van algemeen) waarmee de afkorting begint – is sinds de jaren negentig echter stap voor stap ontmanteld. De Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) is in 1996 vervangen door de Algemene Nabestaandenwet (ANW) die het recht op een nabestaandenuitkering koppelt aan het inkomen en de leeftijd. De Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), die alle burgers – ook zelfstandigen – verzekerde van een uitkering in geval van arbeidsongeschiktheid is in 1998 opgeheven. De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) staat al geruime tijd onder druk en dreigt door introductie van inkomens- en vermogenstoetsen van een algemene volksverzekering een voorziening voor de armen te worden. En nu wordt ook aan het karakter van de Algemene Ouderdomswet (AOW) als volksverzekering getornd.

Merkwaardig genoeg gebeurt dat vooral door de tegenstanders van verhoging van de AOW-leeftijd. Zo hebben zij met succes aandacht gevraagd voor de werknemers met ‘zware beroepen’, die moeten worden ontzien omdat zij niet tot 67 jaar kunnen doorwerken. Daarom zouden zij eerder recht op een AOW-uitkering moeten hebben. Maar daarmee wordt afstand genomen van het principe van een volksverzekering dat het recht op uitkering niet is gekoppeld aan het arbeidsverleden. Het kabinet wil dat werknemers na dertig jaar in een zwaar beroep minder belastend werk krijgen en anders de mogelijkheid hebben nog steeds met 65 jaar te stoppen. Nog afgezien van de enorme uitvoeringsproblemen van een dergelijke regeling wordt hiermee afstand genomen van de AOW als volksverzekering. Alsof het probleem van de zware beroepen zich niet voordoet bij een AOW-leeftijd van 65 jaar, die ook al door bijna geen werkende met een ‘licht beroep’ wordt gehaald. En alsof we voor zware beroepen niet al een werknemersverzekering hebben, de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Maar die is juist in 2006 – toen de WAO werd vervangen door de WIA – ingrijpend gewijzigd, waardoor de deur voor mensen met zware beroepen bijna is dichtgegooid. Wie zich nu ineens zorgen maakt over de zware beroepen plengt krokodillentranen.

Dat geldt ook voor de constatering dat laagopgeleiden en lagere inkomensgroepen korter leven dan hoger opgeleiden en hogere inkomensgroepen. Daardoor genieten de laagopgeleiden veel korter van de AOW-uitkering dan hogeropgeleiden, terwijl zij meestal eerder zijn begonnen met werken en dus langer premie hebben betaald. Dat zou verhoging van de AOW-leeftijd extra onrechtvaardig maken. Het kabinet wil daarom werknemers die 42 jaar hebben gewerkt toch de mogelijkheid bieden op hun 65e te stoppen – zij het tegen een lagere uitkering. GroenLinks wil zelfs nog verder gaan en de aanspraak op AOW helemaal afhankelijk maken van het aantal gewerkte jaren. Door de AOW-leeftijd te koppelen aan het arbeidsverleden wordt opnieuw inbreuk gemaakt op het principe van een volksverzekering die alle burgers dezelfde rechten biedt.

Vreemd dat ditzelfde bezwaar van onrechtvaardigheid nooit tegen de AOW-leeftijd van 65 jaar is geopperd, terwijl de laag opgeleiden daar ook korter van profiteren. Dat iedereen op dezelfde leeftijd recht op AOW krijgt gold juist altijd als de kracht van deze regeling.

Ooit had Nederland een mooi en goed functionerend stelsel van volksverzekeringen. Dat gold als een teken van beschaving. De AOW was daar het meest sprekende voorbeeld van: een heldere regeling, eenvoudig uitvoerbaar en ondersteund door een breed maatschappelijk draagvlak. Daarvan dreigt nu afscheid te worden genomen. Niet de verhoging van de AOW-leeftijd betekent het verkwanselen van de erfenis van Drees en Suurhoff, zoals de tegenstanders betogen, maar de sluipende afbraak van het stelsel van volksverzekeringen.

Paus de Beer is Henri Polak hoogleraar voor arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam, verbonden aan het Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies (AIAS) en De Burcht (Centrum voor Arbeidsverhoudingen).