Het juk van de euro

Het is zo onderhand een reflex: zodra de Amerikaanse dollar tekenen van zwakte vertoont, zwelt de onrust aan over het naderende einde van de positie van deze valuta als internationale reservemunt. Zo ver is het nog lang niet, maar nu de dollar flirt met een koers van 1,50 dollar per euro wordt het voor de Europese autoriteiten wel tijd om hun positie nader te bepalen mocht de wisselkoers verder verslechteren in het nadeel van Europa.

De huidige koers hoeft nog geen onrust te baren. In de zomer van 2008 stond de dollar veel lager. Een vlucht in Amerikaans staatsschuldpapier stuwde de wisselkoers daarna tijdens de acute fase van de kredietcrisis op. Dat effect ebt nu weg. De Amerikaanse munt hervindt daarom de weg naar beneden. In zekere zin is deze gang van zaken welkom. Een lagere dollar helpt de balans in de wereldeconomie recht te trekken, door middel van een bevordering van de Amerikaanse export. In Europa zinnen de monetaire autoriteiten op een route uit het zeer soepele geldbeleid van de afgelopen anderhalf jaar. De rente verhogen is lastig, het wegnemen van de krediethulp aan het bancaire stelsel eveneens. Een sterkere euro biedt uitkomst: die helpt het gevaar voor oplopende inflatie in te tomen zonder dat meteen de monetaire teugels hoeven te worden aangehaald.

De eurokoers is desondanks onderwerp van gesprek van de ministers van Financiën, vandaag en morgen in Luxemburg, die hun positie moeten bepalen voor de ontmoeting van de G20 volgende maand in Schotland. Als wisselkoersen gradueel bewegen, leveren zij doorgaans geen grote problemen op. Maar een schoksgewijze koersval van de dollar zou dat wel doen; het bedrijfsleven heeft in dat geval te weinig tijd om zich aan te passen.

Bovendien herhaalt zich een inmiddels vertrouwd tafereel: de vrijheid voor het internationale monetaire systeem wordt bepaald door de zwevende wisselkoersen van Amerika, Europa en Japan. In grote delen van de rest van Azië en het Midden-Oosten, en ook voor een deel in Latijns-Amerika, zitten de valuta’s formeel of informeel vast aan de dollar. De Amerikaanse munt beweegt daarom in versterkte mate ten opzichte van de euro en de yen.

Op de achtergrond wordt intussen juist in China en in de olielanden gezinspeeld op een toekomstige wereldeconomie waarin de dollar zijn privilege als reservemunt moet delen met andere valuta’s. Die toekomst is ver weg, maar plausibel. Het gaat er om dit proces, hoe langgerekt het ook zal worden, ordelijk te laten verlopen. Dat betekent dat met name China zijn geambieerde status als economische grootmacht moet paren aan een grotere verantwoordelijkheid voor het wereldeconomische systeem. China moet zijn wisselkoers dus vrijgeven. De euro, zei president Trichet van de Europese Centrale Bank vorige week terecht, is er niet voor gemaakt om internationale reservemunt te worden.

Want het is niet de bedoeling dat Europa als enige de lasten draagt van de herschikking van de wereldeconomie.