DSB-affaire legt zwakte bloot van Nederlands bancair systeem

Na een ‘noodregeling’ is een bank niet meer te redden. Waarom garandeert de overheid niet alleen de spaarders en het betalingsverkeer, vraagt Arnoud Boot zich af.

(Illustratie Hajo) Hajo

Wie na deze week nog het idee heeft dat het bankwezen iets met normaal ondernemen te maken heeft, is van een andere planeet. Een bank is speciaal, ze heeft zelf een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid, maar als er iets misgaat, verwacht de maatschappij dat de overheid en toezichthouder de spaarders en rekeninghouders beschermen tegen problemen.

En ziedaar de onmogelijke spagaat van de toezichthouder: de maatschappij verwacht steeds meer, maar tegelijkertijd is de toezichthouder zijn natuurlijke gezag kwijt en kan daardoor steeds minder. Tezamen met de vluchtigheid van de 24-uurs mediacirkel lijkt de toezichthouder telkens achter de feiten aan te lopen.

Deze constateringen zijn buitengewoon gevaarlijk. Ze suggereren een onvermijdelijkheid, en die kunnen wij ons niet veroorloven. De regelgeving en het toezicht op de Nederlandse financiële sector behoeft aanpassing. Dit is geen kwestie van zwartepieten. Neen, actie is nodig om het financieel stelsel stabiel te maken en verdere problemen voor te zijn.

De kredietcrisis wees op internationale tekortkomingen in het toezicht. Maar nu na alle perikelen rond DSB Bank is het evident dat er ook grote nationale tekortkomingen bestaan. En erger nog, de nationale en internationale problemen in het bankwezen en toezicht versterken elkaar.

Een gemeenschappelijk kenmerk is dat vertrouwen in het bankwezen niet meer bestaat en het geringste incident onrust geeft. Wie denkt dat dit vertrouwen weer terugkomt, is naïef. Structurele maatregelen zullen hiervoor in de plaats moeten komen. Hoe dit te verwezenlijken?

Maar eerst: wat mankeerde er aan de noodregeling die De Nederlandsche Bank (DNB) afgelopen maandag voor DSB afkondigde? De noodregeling bevroor alle activiteiten, geen spaarder of rekeninghouder kon nog bij zijn geld. Dit heeft twee gevolgen.

Het eerste is dat zodra sprake werd van deze noodregeling, geen oplossing meer binnen handbereik viel. De rekeninghouders van DSB werden opgeroepen om rekeningen bij andere banken te openen. Dit betekent dat het klantenbestand wegloopt. Er valt daarna weinig meer door te verkopen voor de bewindvoerders, de klanten zijn immers weg.

Dit is raar. Immers, 98 procent van de rekeninghouders (en spaarders) van DSB is verzekerd via het depositogarantiesysteem. Waarom kunnen zij dan niet bij hun geld en waarom kan het spaarbedrijf en betalingsverkeer niet veiliggesteld worden waardoor het ‘gewoon’ doorloopt?

Dit heeft nog een tweede effect, en dat is mogelijk nog schadelijker. Als iedereen weet dat bij een probleem men niet meer bij zijn geld kan, dan gaat men van tevoren, na het eerste het beste gerucht, het geld van zijn rekening halen. De mogelijkheid van een noodregeling lokt dus een bankrun uit. En de 24-uurs media-economie biedt ideale mogelijkheden voor geruchten hierover. En zo had Pieter Lakeman een perfecte voedingsbodem voor zijn oproep – de noodregeling als een tijdbom die door hem kon worden geactiveerd.

Een aanpassing in het toezichtregime is voorgesteld. Wouter Bos maakte in maart bekend (nogal ongelukkig, tijdens de problemen van ING) dat hij een onteigeningswet voor banken in zijn gereedschapkist wilde hebben. Hiermee zou makkelijker bij banken kunnen worden ingegrepen.

Dit lijkt aardig gezien de moeite die Wellink en Bos hadden om de rechter te overtuigen van de wenselijkheid de noodregeling toe te passen op DSB Bank. Maar zonder duidelijk te maken hoe met een bank wordt omgegaan na onteigening, werkt de angst dat een dergelijk ‘gereedschap’ wordt ingezet destabiliserend. Conform de Amerikaanse praktijk vereist een onteigeningswet een garantie op continuering van de bankactiviteiten.

Een andere suggestie uit de kredietcrisis is dat we het publieke deel van het bankwezen moeten veiligstellen van het ‘struikroverkapitalisme’ dat financiële markten in bankiers losmaken. Dus het betalingsverkeer en het spaarbedrijf (en volgens sommigen ook de kredietverstrekking aan midden- en kleinbedrijf) zouden moeten worden veiliggesteld.

De discussies hierover zijn blijven steken in de constatering dat dit moeilijk te realiseren is. Het momentum om iets hierin te kunnen veranderen, was bijna voorbij. De op zich overzichtelijke problemen bij DSB komen als geroepen. Er kwam nu geen financiële markt aan te pas (DSB deed daar niet aan), maar nu dreigt het publieke deel niet alleen te worden bedreigd, maar zelfs vernietigd.

Het vluchtige tijdperk waarin we verzeild zijn geraakt, maakt het bijna onvermijdelijk om relatief kortlopende spaargelden en tegoeden bij banken te garanderen. Doen we dat niet, dan hebben geruchten (en Lakeman) vrij spel. Maar als de overheid die garanties gaat bieden, wie zorgt er dan voor dat banken niet nog eens extra risico gaan nemen?

De oplossing hiervoor is niet om aan de argeloze spaarder te vragen zijn bank ‘in de gaten te gaan houden’. Dat kan die niet. De toezichthouder moet dit doen, maar die heeft hulp nodig. Er moeten bijvoorbeeld eisen gesteld worden aan hoe deposito’s gebruikt mogen worden. Het is onvoorstelbaar dat in het internationale bankwezen is toegestaan dat door overheden verzekerde deposito’s min of meer vrij kunnen worden gebruikt door banken. Ja, men kan er zelfs mee gokken op de financiële markt.

Ik voorzie een blijvende instabiliteit in het bankwezen. De ongrijpbaarheid van de sector is groot. Dit moet worden ingedamd. De toezichthouder moet het initiatief terugpakken. Veel duidelijker zal moeten worden op welk deel de toezichthouder absolute controle heeft (het publieke deel). Dit vereist beter gereedschap en betere wet- en regelgeving. Alleen geruststellende woorden van de toezichthouder hebben weinig effect.

Arnoud Boot is hoogleraar corporate finance en financiële markten aan de Universiteit van Amsterdam.