Dictaat uit het hiernamaals

Herman Heijermans bleef doorschrijven na zijn dood. Maar wel in een heel andere stijl.

Sinds vorige week is er weer een toneelstuk van Herman Heijermans te zien. Heijermans behoort tot mijn favoriete auteurs. Kamertjeszonde, dat hij publiceerde in 1898, vind ik een prachtig boek. Het toneelstuk Ghetto, dat nu wordt opgevoerd door Het Toneel Speelt, is ook erg interessant, al was het maar omdat het stuk na honderd jaar zonder noemenswaardige tekstaanpassingen kan worden opgevoerd. Sterker nog: het onderwerp blijkt onverwacht actueel.

Heijermans behoort tot de zeer weinige auteurs die doorgingen met schrijven na hun dood. Althans, tot die overtuiging kwamen een man en een vrouw die na Heijermans’ overlijden, in 1924, contact opnamen met zijn weduwe, Annie Heijermans-Jurgens. In 1965 deed Annie Heijermans hiervan verslag in een ontroerend boekje getiteld Herman Heijermans’ laatste levensjaren.

Op een dag, schrijft zij, werd zij opgebeld door een man die haar dringend vroeg om een onderhoud; zijn vrouw had nieuws dat haar heel gelukkig zou maken. Annie, een voormalige actrice, was nieuwsgierig en nodigde het stel uit. „Ik zie die beide mensen nog binnenkomen en na een aanlopend gesprekje hoorde ik dan het doel van hun komst. De mevrouw had een boodschap van mijn man gekregen waarin hij gezegd zou hebben: ‘Ga naar mijn lieve vrouw en zeg haar dat ik u opdracht heb gegeven, mijn boek Vuurvlindertje te voltooien’.”

U moet weten dat Heijermans diverse onvoltooide geschriften naliet, waaronder Vuurvlindertje. Hoe dacht Heijermans dit manuscript vanuit het hiernamaals te voltooien? „Wel, heel eenvoudig”, zei de man tegen Annie. „Ik breng mijn vrouw in trance; dan is zij zo in staat, woordelijk op te schrijven hetgeen uw man haar dicteert.”

Annie voelde zich „geweldig genomen” door het „weerzinwekkende gedoe” dat hierop volgde: de paar zinnen die de vrouw in trance onder veel gehijg had opgeschreven, hadden niks weg van de stijl van haar man. Om van het „zonderlinge tweetal” af te komen, vroeg Annie hun het voltooide slot toe te sturen aan de bekende schrijver A.M. de Jong, een goede vriend van Heijermans.

De Jong schreef het stel later een meesterlijke brief, die in het boekje van Annie is opgenomen. U moet het slachtoffer zijn geworden van een spotgeest, concludeerde De Jong, en dit moet wel een zeer vulgaire geest zijn geweest, „die hoogstens als dilettant en dan nog van verre ooit iets met de litteratuur te maken kan hebben gehad en van Heijermans, zo hij er al ooit iets van gelezen mocht hebben, zeker nooit iets heeft begrepen. Het is een tamelijk gesuikerd vertelseltje voor dierbare brave lieden geworden, doorzoden van een sentimentele moreligheid, die ook in de verste verte niets te maken heeft of kan hebben met de robuuste en strijdbare figuur van Heijermans. Te denken, dat hij ooit zó zijn Vuurvlindertje zou hebben willen of kunnen voltooien, is eenvoudig om te gillen.”

Samenvattend noemt De Jong het dictaat een „wezenloos en zoetsappig, door en door burgerlijk snertverhaaltje”.

Heijermans liet enkele notities na over het slot van Vuurvlindertje, dat als feuilleton was verschenen, maar die waren te vaag om het boek voor hem te kunnen voltooien. Toch was het verhaal zo al mooi genoeg om uit te geven, schreef De Jong in het nawoord. Over het zoetsappige slot dat hem als dictaat uit het hiernamaals had bereikt, repte hij daar met geen woord.

Reacties naar sanders@nrc.nl of via www.nrc.nl/woordhoek