Wij toch! Nou dan!

De ooit machtige positie van de middenpartijen PvdA, CDA en VVD kalft in hoog tempo af. Solidariteit en sociale rechtvaardigheid gelden niet meer voor iedereen.

Links en rechts zijn zichzelf niet meer. Zelfs in Huis ten Bosch en Villa Eikenhorst komen koningin Beatrix en kroonprins Willem-Alexander er nu achter. De steun van het politieke midden voor de monarchie, een van dé naoorlogse zekerheden, kalft af. Het koningshuis heeft minder steunpilaren dan ooit sinds de Oranjegezinde massabetoging in Den Haag in 1918, die een reactie was op de ‘vergissing’ van de socialist Pieter Jelles Troelstra, die de ‘revolutie’ had aangekondigd.

Het is Geert Wilders die het oude schema consequent op zijn kop weet te zetten. Niet lang geleden was Wilders lid van een partij – de VVD – die Hare Majesteit bij aanvang van elke jaarvergadering een aanhankelijkheidstelegram stuurt. Nu leidt hij een beweging die de rol van de vorstin wil reduceren tot een ceremoniële en daarbij ook nog eens geen blad voor de mond neemt. Was het anti-monarchale gemoed vroeger voorbehouden aan de Pacifistisch Socialistische Partij en in mindere mate D66 en PvdA, nu heeft behalve SP en GroenLinks ook de PVV aan gene zijde van het klassieke politieke spectrum zich dit sentiment eigen gemaakt.

Met CDA, VVD en PvdA, de drie volkspartijen in het midden, die het vorstenhuis altijd uit liefde óf uit politieke berekening hebben geschraagd, gaat het intussen van kwaad tot erger. De verzwakte positie van het Koninklijk Huis is niet de enige indicatie dat ook hun plaats onder druk staat. Ze worden verantwoordelijk gehouden voor een algemeen ervaren verval. „De mensen die Nederland hebben opgebouwd, worden kapotgemaakt”, aldus een 45-jarige verpleegkundige drie weken geleden in NRC Handelsblad. Zij is een van de PVV-sympathisanten die toen in dit weekblad aan het woord kwamen. Zij vertolken een breed scala van politieke denkbeelden. Maar behalve wantrouwen jegens de islam hebben ze nog één opvatting gemeen: Nederland dreigt te verzuipen in een gezagscrisis en de grote drie hebben dat tot nu toe op zijn beloop gelaten.

Gezag tot kniehoogte afzagen

CDA, PvdA en VVD op hun beurt onderkennen het gevaar, maar zijn nauwelijks in staat het tij te keren. Integendeel. Met een intern e-mailtje weet fractiesecretaris Diederik Samsom het gezag van voorzitter Mariëtte Hamer van de PvdA tot kniehoogte af te zagen. Met een ongearticuleerde bijdrage aan de algemene politieke beschouwingen weet premier Jan Peter Balkenende zichzelf te reduceren tot beginneling. En met een motie van wantrouwen, waarin niet één argument wordt genoemd, weet de liberale oppositieleider Mark Rutte in zes regels een traditie van de VVD ongedaan te maken dat de partij haar vertrouwen alleen in bewindslieden opzegt en niet in een voltallig kabinet.

Het helpt de grote drie nog niet.

Met 33 zetels heeft de PvdA in haar ruim zestigjarige geschiedenis maar één keer minder stemmacht gehad dan nu. Alleen in het Fortuynjaar 2002 haalden de sociaal-democraten nog minder zetels (23) dan ze momenteel in de Tweede Kamer bezetten. Het kan nog beroerder. Afgaande op de ‘politieke barometer’ van onderzoeksbureau Synovate, die wat bedaagder is dan de wekelijkse enquête van Maurice de Hond, zou de PvdA nu 20 zetels halen. Dat zou het slechtste resultaat zijn voor de sociaal-democratie sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917/1919.

Met 22 zetels is de VVD weer terug op haar machtsniveau van een kleine veertig jaar geleden toen ze ruim tien jaar had gefunctioneerd als bijwagen in confessionele kabinetten. Alleen in 1989, toen ze het tweede kabinet-Lubbers ten val had gebracht, had de door Wiegel gebouwde volkspartij net zo weinig zetels. Minder is denkbaar. Volgens de politieke barometer is de VVD nu goed voor 15 zetels, een peil als in de wederopbouwjaren vijftig toen ‘rode’ Drees en ‘roomse’ Romme dominant waren.

Met 41 zetels heeft het CDA thans de op twee na slechtste parlementaire positie in een hele eeuw. Alleen in de leidersloze en paarse jaren 1994 en 1998 hadden de christen-democraten met 34 en 29 zetels nog minder stem in de Tweede Kamer. Synovate ziet voor het CDA nog maar 32 zetels in het verschiet liggen als er vorige week verkiezingen zouden zijn gehouden.

Gedrieën zouden de drie volkspartijen in het economische crisisjaar 2009 onder leiding van Balkenende, Bos en Rutte volgens de barometer nu over 67 zetels kunnen beschikken. In het politieke polarisatiejaar 1977, toen Den Uyl, Van Agt en Wiegel elkaar fel bestreden en de flanken opslorpten, verdeelden PvdA, CDA en VVD onderling maar liefst 130 van de 150 zetels.

Deze halvering kan niet worden afgedaan met het argument dat peilingen toch maar dagkoersen zijn. De neergang heeft ook niet louter te maken met een verschuiving van progressief naar conservatief of omgekeerd. Want als de PVV voor het gemak bij rechts kan worden ingedeeld en de SP bij links – strikt voor het gemak, want deze termen zijn niet adequaat meer – dan is links op dit moment sterker dan ooit. PvdA, SP en GroenLinks hebben in het echt maar liefst 65 zetels. In 1977 bleven groot en klein links steken op 59 zetels. Maar de PvdA dreigt nu wel kleiner te worden dan de SP. Aan de andere zijde is het beeld vergelijkbaar. VVD en PVV zitten nu samen op 31 zetels. In 1977 hadden VVD, Boerenpartij en DS70 gedrieën 30 zetels.

Toon varieert van zorg tot paniek

De afkalving van de middenpartijen is al in 1994 begonnen, maar in 2002, na acht atypische paarse jaren, werd het voor eenieder pas echt zichtbaar. Sindsdien wordt er gedebatteerd over de oorzaken. Vorige week hebben de directeuren van de wetenschappelijke bureaus van de drie partijen er voor de bijlage Opinie & Debat van deze krant nog een twistgesprek over gevoerd. De toon varieerde van zorg tot paniek. Raymond Gradus van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA wil zich zo min mogelijk van de wijs laten brengen. De christen-democratie moet gewoon doorgaan „de kracht van de samenleving te benutten”. Maar Monika Sie van de aan de PvdA gelieerde Wiardi Beckman Stichting luidt de alarmbel. „Ik heb echt het gevoel dat het politieke stelsel op zijn grondvesten trilt.” Ook Patrick van Schie van de liberale Teldersstichting ziet een structureel probleem. Door invloeden van buitenaf wordt „de Staat steeds poreuzer”.

Die laatste waarneming is echter nog altijd geen gemeengoed. Zeven jaar na 2002 laten de meeste verklaringen voor de onttakeling van het politieke midden zich met andere, meer op de persoon van de politici gerichte, trefwoorden samenvatten.

Partijen luisteren niet meer naar de kiezers en zelfs niet naar hun eigen leden. Politici houden zich liever onledig met incestueuze kliekvorming waarbij ze elkaar baantjes toespelen. Ze hebben de keerzijde van de immigratie, en de daarmee gepaarde multiculturaliteit, onvoldoende en vooral te laat onderkend. Dat heeft geleid tot vervreemding tussen het volk en de politiek-culturele elite. Daarom zitten we nu opgescheept met kleurloze en bange leiders die de problemen niet „benoemen” laat staan „aanpakken”, maar de bureaucratie op haar beloop laten.

Deze analyses zijn stuk voor stuk niet onzinnig. Maar de vraag is waarom het zover is gekomen. Het begin van een verklaring schuilt in de geschiedenis van de Nederlandse democratie die in zeven fases (zie rechts) kan worden ingedeeld. In het jongste en zevende tijdvak, dat begin deze eeuw is begonnen, moeten de oude volkspartijen nu terrein prijsgeven aan formaties met één issue en voor het overige ideologisch bij elkaar grasduinen wat van pas komt.

Die verandering hoort bij een maatschappij waarin de burgers niet meer collectief in hokjes zijn te scheiden als ‘arbeiders, boeren en buitenlui’. De burgers worden tegenwoordig ieder voor zich beoordeeld op hun eigen prestaties.

Die individuele benadering leek lang een succes en ook tot ieders tevredenheid. De climax werd in maart van dit jaar bereikt, toen de autodidactische bankier Dirk Scheringa zich via de Volkskrant meldde met de boodschap dat hij bereid was om Nederland met een tijdelijk „oorlogskabinet” te redden. Maar deze week ging deze Scheringa zo goed als failliet door een opstand van mensen die hij had bewoekerd omdat ze voor de grote regenteske banken net te weinig merites hadden.

Een man als Scheringa roept dan ook tegenstrijdige gevoelens op: bewondering én afgunst, soms bij één en dezelfde burger. Dat is verklaarbaar. De doorsneeburger, die in de twintigste eeuw op een middenpartij stemde, voelt zich in de eenentwintigste eeuw bedreigd. Hij heeft geen vaste en veilige plek meer. De maatschappelijke hiërarchie verandert namelijk drastisch. De oude industriële samenleving zag er indertijd uit als een overzichtelijke piramide. Er waren talloze, oneerlijke, obstakels in het bouwwerk. Maar wie hard werkte en stevig doorleerde, kon omhoog. Nu begint de piramide als een labyrint te ogen. Diploma’s worden geëist maar zijn tegelijkertijd niet veel meer dan een startkwalificatie. De weg omhoog wordt niet gewezen, die moet iedereen zelf zien te vinden. En door globalisering en immigratie is er ook nog eens meer concurrentie. De politieke econoom Arie van der Zwan formuleerde de gevolgen daarvan zo in zijn De uitdaging van het populisme: „Gevoelens van fatalisme, geen greep te hebben op de omstandigheden die de bestaanszekerheid bepalen, hebben zich verbreid.”

Er komt nog iets bij. De middenklasse is meer gebonden aan het eigen land dan de hoogste en laagste klassen. Boud gesteld: een topmanager of schoonmaker kan in talloze landen emplooi vinden, een politieman heeft buiten Nederland weinig kans.

Veel burgers weten daarom eigenlijk wel dat er geen vooruitgang meer inzit. Maar ze willen hoe dan ook niet achteruit. Als die contra-emancipatie niet goedschiks kan worden gekeerd, dan maar boosschiks.

De onthechting tussen de oude droom en de nieuwe realiteit keert zich nu al zeven jaar primair tegen CDA, PvdA en VVD. De wrok is echter niet alleen het gevolg van een nieuwe verzetshouding onder de burgerij en een oude establishmentmentaliteit van de drie volkspartijen in het midden. Dat er in de „toeschouwersdemocratie”, zoals de Franse filosoof Bernard Manin en de Nederlandse politicoloog Jos de Beus het noemen, zo gretig met tomaten wordt gegooid, wordt ook veroorzaakt door de nieuwe betekenis die de politiek de afgelopen twintig jaar heeft gekregen.

Overheidsdiensten zijn gastvrijer geworden

De overheid heeft zichzelf de laatste decennia consequent getrimd. Dat was onvermijdelijk en ook nodig. Veel overheidsdiensten zijn gastvrijer geworden: van het paspoortloket tot de telefoondienst. Alle bestuurlijke volkspartijen hebben hieraan bijgedragen. Wat in het centrum-linkse kabinet-Lubbers III begon met de zogeheten ‘bruteringsoperatie’ in de volkshuisvesting, waarmee veel macht van de staat naar de woningbouwcorporaties werd overgeheveld, werd in de twee paarse kabinetten-Kok voortgezet en geïdeologiseerd. Wat niet kon worden geprivatiseerd werd gedereguleerd of verzelfstandigd. Oude staatstaken werden ‘uitgeplaatst’: naar private partijen, naar publiek/private verbanden of quasi-autonome non-gouvernementele organisaties.

Deze uitplaatsing heeft de politieke gremia van veel hardware beroofd. De gemeente Amsterdam bijvoorbeeld was ooit zo ongeveer het grootste openbare schoolbestuur in de niet-socialistische wereld. Vandaar dat wethouder Ada Wildekamp (PvdA) zich in 1988 nadrukkelijk kon manifesteren als hét bevoegd gezag door haar eigen vrouwelijke rector op het openbare Barlaeus Gymnasium te benoemen. De commotie daarover was indertijd dus politiek en droeg bij aan de halvering van de PvdA bij de raadsverkiezingen in 1990. Nu is niet de stad maar de Amarantis Onderwijsgroep het grootste schoolbestuur in het voortgezet onderwijs. Geen politicus die echt aanspreekbaar is voor de handel en wandel van Amarantis.

Ook hogerop in het staatsbestel heeft het weinig zin meer om minister Camiel Eurlings van Verkeer en Waterstaat naar de Tweede Kamer te ontbieden als de treinen niet op tijd rijden. Alleen als het gaat om openbare orde en veiligheid zijn de staatsorganen veel sterker geworden. En daarom staat minister Ernst Hirsch Ballin van Justitie om de haverklap in de Kamer, net als zijn voorganger Piet Hein Donner.

De electorale gevolgen laten zich raden. Vroeger had het nut voor of tegen de ene of andere macht te stemmen, omdat op overheidsniveau werd besloten om de treinen op tijd te laten rijden of een school te openen. Nu stemmen we vooral voor meningen. Dat is al een stuk vrijblijvender. Het onderwijs wordt er niet beter of slechter van als we eens gek doen. Het verlangen naar leiders, echte mannen of vrouwen die de kastanjes uit het vuur halen, kan zo worden botgevierd.

In Duitsland en Italië

Dit is geen uniek Nederlands verschijnsel. Het gebeurt her en der in de postindustriële wereld, vooral in systemen die niet zijn gericht op een meerderheidsbewind, zoals in Engeland of Frankrijk, maar op coalitievorming.

In Duitsland hangt de SPD in de touwen. De sociaal-democratische partij heeft er vorige maand minder stemmen gehaald dan ooit in de geschiedenis van de Bondsrepubliek. Ook de onvermijdelijke CDU/CSU is teruggedreven tot een electoraal peil dat amper hoger is dan het dieptepunt in 1949. In Italië is Democrazia Cristiana, die vanaf de oorlog tot haar verval begin jaren negentig altijd goed was voor 30 tot bijna 50 procent van de stemmen, zelfs vervlogen zonder dat er een andere middenpartij voor in de plaats kwam of de oppositie links van het midden er serieus van profiteerde. Dat kan, gezien de winnaars van deze doodsstrijd, niet alleen hebben gelegen aan de corruptie van het oude systeem. Integendeel. Nergens is een toeschouwersdemocratie zo pregnant zichtbaar als thans in het theatrale machismo van premier Berlusconi.

Wilders heeft het Italiaanse voorbeeld begrepen, getuige zijn tegenaanval op de media toen vier weken geleden naar buiten kwam dat zijn fractiegenoot Hero Brinkman een kwaaie dronk heeft. Zijn kiezers lijken ook niet de moraalridder te willen uithangen, getuige de ongebroken opmars van de PVV in de peilingen. Brinkman mag zich kennelijk wel een misstap veroorloven, waar een ander zou zijn gedreigd met uitzetting.

Het oude democratische en rechtsstatelijke idee over ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ is geen vanzelfsprekendheid meer. Ook solidariteit of sociale rechtvaardigheid – termen die in de beginselen van zowel CDA als PvdA en VVD voorkomen – wordt niet meer iedereen gegund. In opmars is het principe ‘hun moraal en de onze’. Wie hebben die verzorgingsstaat opgebouwd? Wij toch! Wie mogen er dus van profiteren? Nou dan!

De zevende fase is de egocentrische fase. De Nederlandse democratie versmalt weer, wil er niet langer meer voor iedereen zijn maar vooral voor de oudste rechthebbenden.

Daarom raken de drie vertrouwde middenpartijen, die voor het héle volk wilden zijn, hun zelfvertrouwen dagelijks verder kwijt. Zelfs de koningin kan ze niet meer helpen. <