Vechtvrienden

Op een dancefeest in Hoek van Holland werd de 19-jarige Robby van der Leeden gedood door een politiekogel. Zijn vrienden vertellen over hun levensstijl: sleutelen, hangen en vechten. ‘Het geeft een kick als je dertig man ziet vechten.’

Het is al druk en warm in club Watt als een kale man in het zwart op het podium naar voren loopt. Hij zweept het publiek op: „Rot-ter-dam. Je weet wat je moet doen. Ik zeg: Rot-ter-dam. Je weet goddomme wat je moet doen.” Hij laat een stilte vallen: „SPRINGEN!”

In het tegenlicht van de stroboscoop deint een donkere massa fanatiek op en neer. Het is drie uur zaterdagnacht. Neuzen raken knokkels en bruine flesjes – cocaïne, spierontspanners. Als bezoekers tegen elkaar botsen dansen ze ongestoord door.

Het feest 010 Classics had old school house en hardcore aangekondigd. Achterin de zaal staan kaalgeschoren veertigers met gouden oorringen, de armen over elkaar geslagen. Voorin dansen lange jongens, hun knieën gebogen. Ze dragen geruite overhemden, glinsterende oorknoppen en petjes van Lacoste. Ze veren op Nike Air Max.

Ze zijn deze zaterdagavond om elf uur met dertig jongens vertrokken vanaf treinstation Rotterdam Alexander, na Feyenoord-RKC Waalwijk. Ze bekeken de voetbalwedstrijd in hun stamcafé Otto Hahn in een overdekt winkelcentrum in de wijk Ommoord. Een aantal jongens woonde de wedstrijd bij in de Kuip. Om kwart voor twee begroeten ze hun vrienden in Watt met een boks – de vuisten tegen elkaar.

Het is het eerste dancefeest waar ze met z’n allen zijn sinds hun vriend overleed op het strand van Hoek van Holland. Niemand weet nog wat er misging en hoe een politiekogel de 19-jarige Robby van der Leeden heeft kunnen doden. Rechercheurs, officieren van justitie en onderzoekers bestuderen dat nog. Burgemeester Aboutaleb wist al wel dat de rellen waren veroorzaakt door een ‘tweede generatie hooligans’. In NRC Handelsblad vertelde hij om wat voor jongeren het ging: jongens van 17 tot 20 jaar die nog thuis wonen, ze houden van dancefeesten, voetbal en van vechten.

Dit verhaal gaat over jongens die houden van voetbal en dansen en vechten.

Eerst willen ze niet praten. Dat heeft toch geen zin. Daar krijgen ze Robby niet mee terug. Maar ze zijn ook gefrustreerd door het eendimensionale beeld dat door de Rotterdamse politie en gemeente in de media van hen wordt neergezet. Daarom praten ze toch over hun overleden vriend, de buurt, henzelf en wat in Hoek van Holland gebeurde. Of ze er hebben gevochten is niet bekend. Zelf zeggen ze van niet.

Seniorenflats

De metro naar Ommoord doet er twintig minuten over, vanuit het centrum van Rotterdam. Brede doorgangswegen scheiden de hoge flats in het midden van de wijk van de hofjes met eengezinswoningen. De meeste bewoners zijn ouder dan vijftig. Ze hoeven de wijk niet uit. Er zijn winkels, scholen, sportverenigingen en veel seniorenflats. Bezienswaardigheden zijn er niet. Als je niet in Ommoord woont, heb je er niets te zoeken.

Ommoord ligt in de deelgemeente Prins Alexander, maar dat zegt niemand.

Ommoord is Rotterdam-Oost.

Jack van der Does (20), een van Robby’s beste vrienden, zit op een bankje achter kinderboerderij Kip en Ei. Hij wijst naar een zwarte schroeiplek in het gras bij de vijver. Daar hebben ze in de zomer gebarbecued. Jack is een pezige jongen van 1,88 meter met vriendelijke ogen onder een geruite pet. Zijn zwarte trenchcoat beschermt hem tegen de miezerregen.

Hij hoopt snel te kunnen beginnen bij een timmermansbedrijf in Rotterdam-Zuid. Een maat die hij kent van Feyenoord had in een café beloofd diens baas te vragen of ze hem konden gebruiken. Bij het koeriersbedrijf moest hij weg.

Met Robby had hij de beste gesprekken. Hij was er altijd voor hem. Het was Robby die hem naar de EHBO droeg toen iemand de partydrug GHB in zijn Bacardi had gedaan en hij in coma raakte. En toen Jack geldproblemen had en daarom niet meer naar Kip en Ei kwam, bleef Robby langskomen.

De vriendengroep, toen met negen, zou afgelopen zomer naar Lloret de Mar gaan en Jack kon als enige niet mee. Zijn vader is surveyor in de haven, hij controleert schepen. Zijn moeder ziet hij niet vaak, zijn ouders zijn gescheiden. Hij heeft hen niet om geld gevraagd. Hij was bang bij de grens te worden teruggestuurd omdat hij nog 2.500 euro aan boetes had openstaan.

Dat nam de groep hem niet in dank af, zegt hij. „Als ik een zak wiet kocht, zeiden ze: ‘En wél wiet kopen.’”

Maar Robby bleef langskomen. Om PlayStation te spelen. Of hij nam Jack mee om te ‘chillen’ aan de Maas. Met hem deelde Jack zijn liefde voor de stad, de voetbalclub en de muziek. Hardcore, het kon niet harder. En de Sluipschutters, rappers die over de stad, de coffeeshops en de voetbalclub zingen. Hun nummer Lotgenoten klonk op de begrafenis van zijn vriend.

Trouw bezoekt hij Robby’s ouders, dat doen ze allemaal. En vlak voor of na de thuiswedstrijden bezoekt hij het graf. Zijn vrienden doen dat ook. Laatst spraken ze af eens niet met z’n allen te gaan. „In je eentje heb je een moment om je helemaal leeg te huilen. Met acht man maak je grapjes of haal je herinneringen op.” Kwam hij op de Zuiderbegraafplaats, waren de anderen er ook. Zelfs als ze elkaar proberen te ontwijken, lukt dat niet. Ze zijn altijd samen. Als je afspreekt met één, neemt die een vriend mee en komen erna meer.

Lloret de Mar

Er ging nog een groep jongens uit Ommoord afgelopen zomer naar Lloret de Mar aan de Costa Brava. Daar waren ook meisjes bij. Elke avond gingen de groepen samen uit, ze waren met dertig of veertig man. Een jongen moest eerder terug met het vliegtuig, omdat hij met zijn rug op een bierflesje was gevallen. Hoek van Holland was, na de Dance Parade, het tweede grote feest na die vakantie.

De jongens kennen elkaar van voetbal, van school en, vooral, van straat. Eén is 16, de rest is tussen de 17 en 20 jaar. Als je vraagt wat ze willen worden zeggen ze: ondernemer, surveyor, steigerbouwer. Het is wat hun vaders doen.

Er zijn ook jongens in Ommoord die deze zomer naar Bulgarije gingen. Ze zijn begin twintig, daarom heten ze ‘de oudere jongens’. Ze luisteren niet naar de Sluipschutters, ze kénnen de rappers.

Soms vormen ze gelegenheidsgroepen met jongens die bijvoorbeeld ook houden van hardcore muziek, voetballen, Feyenoord, sleutelen aan scooters of nietsdoen. Of met Molukse jongens uit Capelle aan den IJssel of Krimpen aan den IJssel. Ze vormen alleen een heel grote groep als ze uitgaan of willen vechten.

Het gaat er niet om hoe sterk je bent, leggen ze uit. Het gaat erom dat je met velen bent. Jongens uit de nabijgelegen wijk Zevenkamp kwamen eens met twintig man naar Ommoord om tegen twintig van hen te vechten. Maar met vijftien Molukse jongens erbij sloeg Zevenkamp op de vlucht.

Jongens in Ommoord zeggen: we lokken geweld niet uit, maar we gaan het ook niet uit de weg. Zoals de keer dat een van hen „gewoon” de Albert Heijn in liep toen het broertje van zijn vriendin en twee vrienden hem uitdaagden. Toen ze hem achterna kwamen, draaide hij zich in het bierpad om en sloeg er een op het hoofd met een flesje Heineken. Het broertje kreeg een stomp op zijn oog, zelf hield hij er een blauw oog aan over.

Of de keer dat een van hen ’s nachts naar huis liep toen een jongen een sigaret vroeg. Die jongen kwam te dichtbij met zijn hoofd. Daar kwam de ploertendoder van pas.

De laatste keer dat hij in een groep vocht, zegt Jack, was drie jaar geleden tegen Schollevaar, een wijk in Capelle aan den IJssel. Een vriend had een jongen uit die wijk belazerd. Het had net zo goed om een meisje kunnen gaan – het gaat vaak om meisjes – of om iemand die iemand niet mag.

Jack: „Dan hoor je: die en die avond komen ze. Dat hoor je nu eenmaal en dan ben je er gewoon bij. We hadden afgesproken op het voorplein bij de McDonald’s. Toen werden we gebeld: kom daar naar toe. Kom daarheen. We werden steeds verder Schollevaar in gelokt, totdat we van twee kanten werden belaagd bij het tunneltje bij het Emmauscollege. We hadden geen wapens of messen, je moet meer denken aan stofzuigerslangen. Een maatje van me is wel neergestoken.”

Het is „een sensatie”, zegt hij. „Adrenaline. Het geeft een kick als je dertig man tegen elkaar ziet vechten.” Hebben zijn vrienden in Hoek van Holland gevochten, heeft Robby er tegen de politie gevochten? „Het zou best kunnen, maar ik ga er niets over zeggen.”

Korps Mariniers

In een van de hofjes in Ommoord hangt naast de voordeur een geëmailleerd naambordje met bloemen. Binnen op de bruine leren bank zit een jongen uit de groep van ‘de oudere jongens’. Zijn ouders zijn niet thuis. Hij is lang, heeft kort lichtbruin haar en wil bij het Korps Mariniers. „De laatste keer dat we met z’n allen vochten”, zegt hij, „was op Bevrijdingsdag.” Tegen „de negers van Noord”. Wie dat zijn? „Buitenlanders. Apen.”

Jongens uit Ommoord houden niet van allochtonen. Ommoord is een nette buurt, zeggen ze. Nog wel. Dat kun je van de omliggende wijken Zevenkamp of Schollevaar niet zeggen, of van Rotterdam Noord of West. Ze houden ook niet van agenten, van Amsterdammers, of van de burgemeester van Rotterdam. Aboutaleb pakte hen de uitwedstrijden af en nu de gratis dancefeesten. Hij doet niets voor jongeren. Hij is van 020. En ja, hij is Marokkaan. „Als jij naar Iran gaat emigreren, denk je dan dat je daar burgemeester kan worden? En zij mogen hier wel hoofddoekjes dragen. Ja toch?”

Op Bevrijdingsdag loste de politie, net als in Hoek van Holland, waarschuwingsschoten omdat de agenten zich op het feest bij de Erasmusbrug in het nauw gedreven voelden. Het was die dag al lang onrustig, zegt de jongen die marinier wil worden. „Er was al iemand van ons gepakt. Eentje was in elkaar geslagen. Ik stond rustig een blowtje te roken. Een van ons ging los. En ja, dan gaan we allemaal los.”

„Met hoeveel was Oost?” vraagt hij aan zijn vrienden. Een vriend is procesoperator in de haven, de ander had een tijdelijk contract als kraanmachinist. Ze roken binnen, blowen doen ze buiten in de achtertuin. „We waren misschien wel met tweehonderd man”, zegt de lange, oudere jongen. „In Hoek van Holland met driehonderd.”

Sinds Robby’s dood is het rustiger geworden, zeggen de jongens in Ommoord. Zelfs jongens die Robby niet mochten, liepen mee in de stille tocht. Uit respect, zeggen de meesten. Sommigen zeggen: uit solidariteit, tegen de politie.

De grootste sukkel

De jongens van Ommoord kunnen je eerder en preciezer vertellen wat in Hoek van Holland gebeurde dan de politie of de gemeente. Als verdachten worden opgepakt weten de jongens wie het zijn, waar ze wonen en wat ze op hun kerfstok hebben. „De politie zegt dat hij van de harde kern is, maar dat is echt de grootste sukkel die ik ken”, zegt een jongen over een 17-jarige verdachte die niet lang erna wordt vrijgelaten.

De politie heeft nooit bekendgemaakt waar Robby is doodgeschoten. Maar toen Jack als getuige werd verhoord door de politie, vertelden ze hem dat zijn vriend in de duinen is omgekomen. In de duinen vochten relschoppers tegen agenten.

Ook heeft de politie nooit verteld waar de jongen in zijn hoofd is geraakt. Bijna alle jongens in Ommoord weten dat de politiekogel hun vriend op een atypische plek heeft getroffen. Dat hebben ze gezien, in het mortuarium. „Hier”, zegt Stefan Put (17). Zijn linkervinger gaat zoekend naar de linkerkant van zijn schedel, omhoog tot bijna bovenop zijn hoofd en dan, ietsje, naar achter. In het mortuarium waarschuwde een man de jongens dat ze het best aan de linkerkant van de kist, de goede kant, konden staan.

Op een dinsdagavond zitten Tommy, Leon en Johnny in hun stamcafé Otto Hahn. Hun vrienden Wouter en Niels komen terug van voetbaltraining, geven een boks en gaan buiten hangen met de anderen voor supermarkt Plus. Johnny is Johnny Schenk. Hij is 18 en werkt als automonteur. Johnny kent Robby sinds ze in groep 4 zaten van de Martin Luther Kingschool. In groep 8 kwam zijn vriend in een flat tegenover zijn flat te wonen. Robby’s moeder moest een been missen na een ontsteking bij de knie. Haar man regelt de rouwadvertenties bij huis-aan-huisbladen.

Johnny wijst aan waar hij binnenkort in sierletters de naam van zijn vriend laat tatoeëren, op zijn onderarm. Tijdelijk rijdt hij op diens Yamaha Aerox. Robby stond voor iedereen klaar, zegt hij. „Hij werkte bij CableTech, had een bestelbusje van de zaak. Als je vroeg of hij je op wilde halen, zei hij nee, maar dan kwam hij toch.” Robby had niks met de harde kern te maken, zegt Johnny. Ze kennen jongens van de harde kern, dat wel. Ook in politiekringen wordt gezegd dat Robby van der Leeden geen deel uitmaakte van de harde kern, hij was eerder een meeloper.

Klagen over de politie

Jack heeft een vriend meegenomen naar kinderboerderij Kip en Ei, Davey van Baarlen (17). Het is een doordeweekse middag, twee uur. Davey heeft kort zwart haar en een zwart vest met rits en capuchon, een zwart Lacoste-tasje om zijn schouder. Hij wacht op een werkplek voor een opleiding installatietechniek. Zijn vader is cv-monteur, zijn moeder schoolassistent.

Hij klaagt over de politie. De politie is er niet voor hen, de politie is tegen hen. Ze hebben een hekel aan de politie, die ze net als Ajacieden ‘joden’ noemen, of sinds kort, ‘moordenaars’.

Davey: „Zitten we hier gewoon rustig, vragen ze om een identiteitsbewijs. Schrijven ze op wie er zijn. Altijd moeten we onze ID laten zien. Ik heb een paar keer een brief gehad dat ze ons in de gaten houden. Dat we te vaak op plaatsen zijn gesignaleerd waar het onrustig is.”

Jack: „Meestal zijn ze met z’n tweeën, van die gasten met één streep. Ze zijn zelf net van school.”

Davey: „Juist voor kleine dingen pakken ze je.” Chillen op het schoolplein, 90 euro. Zwemmen bij de brug over de Rotte, 90 euro. Geen helm, 90 euro. Wel helm, kinbandje los, 60 euro. Zwartrijden 45 euro.

Vanachter de bomen bij de vijver klinkt een hard ratelend geluid. „Daar heb je Bob”, zegt Davey. Hij herkent het geluid van een Yamaha Aerox. Bob (18) arriveert op de scooter die hij vorig jaar voor zijn verjaardag heeft gekregen van zijn oma. De benzinedop zit los en er is iets met de ontsteking. Hij verdient 2,50 euro per uur bij pizzeria Da Pasquale, exclusief fooi en een avondmaal.

Bob doet 4 en 5 havo ineen. In 4 havo bleef hij twee keer zitten. „Ik was een twijfelgeval. Ze hadden me over kunnen laten gaan, maar ik was een teringjong, dus ze wisten het wel.”

Bij filosofie vandaag wilden ze praten over Hoek van Holland, zegt Bob. „Ik zei: ik wil het er niet over hebben.” Zijn telefoon gaat.

Wouter (16) komt aan op de fiets. Hij is de jongste en woont in Bergschenhoek, maar is altijd hier in Ommoord bij zijn vrienden. Hij brengt de ochtendkrant rond, doet 5 VWO, is blijven zitten in de derde. Er komen witte oordopjes uit zijn zwarte vest met capuchon.

Zijn hand zit in het gips. Wat heeft hij ermee gedaan? „Twee vingers gebroken. Gevochten met een neger in het Vroesenpark. Hij zat aan mijn vriendin. Ik drie keer zo pam! op zijn hoofd en toen lag ’ie op de grond. Er kwam bloed uit zijn oor. Het was op de dag van Hoek van Holland. Ik mocht niet meer gaan van mijn vader. Hij zei: ik weet hoe dat gaat, je gaat toch drinken.”

Mexicaanse griep

In een rijtjeshuis in Ommoord ligt Sander Put (18) in de woonkamer languit op de bank. Hij denkt dat hij de Mexicaanse griep heeft. Zijn lichtbruine haar staat recht overeind. Hij draagt een grijze joggingbroek en grijze sweater met capuchon. Eigenlijk is het vooral zijn moeder, Ella Peters, die het denkt, van die griep. Hij hoest al sinds Lloret.

Ze strijkt de overhemden van haar man en haar vier zonen. Ze heeft ook een dochter, Marella van elf. Na de stille tocht haalde ze cola, mini-frikandellen en bitterballen in huis. „Het wordt jullie eerste feestje zonder drank”, waarschuwde ze haar zonen. Ze wilde dat de vriendengroep ergens kon napraten, binnen. Ze is vrijwilliger bij de International Christian Fellowship kerk in Rotterdam-Zuid. Door de voordeur, via de achterdeur, druppelden meer dan dertig jongens en meisjes binnen. Ze rookten sigaretjes in de achtertuin. De frituur ging aan. Ella zette de foto’s van de stille tocht snel op haar laptop. Bij de uitzending op TV Rijnmond stormden ze de huiskamer binnen, op de televisie af. Sommigen moesten op de bank staan om de tocht te kunnen zien. Ze bleven er tot na enen.

De zondagochtend na Hoek van Holland maakte Ella haar zoon wakker, om naar de kerk te gaan. Ze zei: er is er eentje neergeschoten. Sander: „Ik zei: dat boeit niet. Het zal zijn eigen schuld wel zijn. Ik draaide me weer om. Drie kwartier later belde Mike. Hij zei dat het Robby was.”

Hij gaat zitten, zijn armen om zijn knieën. Het feest was geweldig, zegt hij. Er waren wat vechtpartijen, dat wel. Ze waren bij station Rotterdam Alexander in de trein gestapt, met een stuk of dertig jongens. Toen was er nog plaats. In de trein hoorde hij dat er groepen hooligans zouden komen. „Feyenoord, Ajax. AZ heb ik gehoord. Ik hoorde dat de Amsterdammers zouden komen en dat Molukkers gezegd zouden hebben, kom maar dan, gaan wij lekker tekeer.”

Toen de politie de menigte in ging bleef hij rustig. Hij had geblowd. „Iedereen kwam mijn kant op rennen, maar ik ging naar voren, de jongens zoeken. Met een stuk of vier, vijf zijn we teruggegaan naar de trein. De muziek ging uit. ‘Jongens, de raddraaiers hebben het verpest’, werd omgeroepen.”

„Ik heb wel eens gelezen dat het niet goed is dat ze op dat soort momenten de muziek dan juist uitzetten”, zegt zijn moeder.

Sander: „De muziek moest wel uit. Mijn vriend lag daar met een gat in zijn hoofd, anders was iemand misschien wel over hem heen gedanst, dat kan toch niet. Dan was iedereen doorgegaan met feesten.”

Hij is van de straat, zegt Sander. Hij ziet wat om hem heen gebeurt. Als drie jongens snel ergens heen lopen kijkt híj of er een groep achteraan komt. „Ik weet wie er rotzooi schoppen. Het zijn altijd dezelfde. Ik hoef er niet eens bij te zijn. Als ik de televisie aanzet en ik hoor wat er gebeurd is weet ik vaak al wie het gedaan heeft.”

Zijn moeder Ella: „Wie zijn de jongens die in Hoek van Holland vooropliepen?”

Sander: „Gewoon jongens zoals ik. Het zijn altijd dezelfde. Ze gaan ook gewoon naar school, of naar hun werk. Of ze doen niks.”

Ella: „Is het drugs, of drank?”

Sander: „Het is drugs, drank, het is ook de verslaving. Vechten is ook een verslaving. Als je op je scooter rijdt en de politie zit achter je aan, weet je wat voor kick dat geeft? En dan vechten ze tegen tien man, het wordt steeds mooier.”

Ella: „Heeft het niet ook te maken met thuis, met de ouders?”

Toen Sander thuis kwam met een brommer, zogenaamd van Marktplaats, heeft ze hem naar het politiebureau gebracht. Hij was 15 jaar. Zijn verklaring kwam overeen met die van zijn vriend. Die hadden ze de avond ervoor doorgesproken. Ze mochten gaan. Maar Ella bracht haar zoon terug. Nu bleef ze erbij. Ze nam de agent apart: „Nu moet je doorzetten”, zei ze.

De boete betaalde Sander door voor de eigenaar van de brommer te gaan werken, pizzeria Da Pasquale in Ommoord. Daar werkt hij nog, met zijn broer Stefan en zijn vriend Bob.

Sander: „Nee, het heeft niets met thuis te maken. Misschien een beetje, maar ook niet. Het is gewoon hoe ze zijn.”

Ella: „Weten de ouders van die jongens dat ze vechten?”

Sander, geïrriteerd: „Nee, natuurlijk niet.”

Hij drinkt koffie in een mok.

Ineens zegt hij: „Als ik een van die agenten was geweest had ik allang geschoten. Hadden die jongens maar geen stenen moeten gooien. Het is lullig dat het Robby was, maar wat moesten ze dan? Ik weet er niets van maar het schijnt geen pretje te zijn geweest. Die agenten zitten nog steeds thuis. Ik hoorde dat van Freddy van de motorshop, zijn vrouw is chef bij de politie. Ik zei het dit weekend ook tegen de jongens: wat zouden júllie doen? Ga je liever dood of schiet je liever de klootzakken die stenen gooien door hun kop. Niemand wist meer iets te zeggen.”

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Foto bij reportage

Bij de reportage Vechtvrienden (NRC Weekblad, 17 oktober, pagina 8-15) staat een foto die is gemaakt in Club Watt. De twee personen rechts op de foto hebben niets met het verhaal te maken.