Spoken in Abidjan

Trafigura heeft geen vrienden, sinds de ‘giframp’ in Abidjan. In werkelijkheid was er alleen stankoverlast. Karel Knip

Zou er nog iemand zijn die het wil opnemen voor grondstoffenhandelaar Trafigura? De onderneming zal tot in lengte van dagen geassocieerd blijven met de tanker Probo Koala die in augustus 2006 raffinaderijafval afleverde in Abidjan, de hoofdstad van Ivoorkust. Waarna de beruchte giframp ontstond. Een giframp die volgens ‘officiële’ cijfers aan zo’n 15 Ivorianen het leven kostte en waardoor ontelbaar velen werden vergiftigd. Duizenden, tienduizenden, wie zal het zeggen.

Vorige maand trof Trafigura een miljoenenschikking met de vertegenwoordiger van de slachtoffers, het Britse advocatenkantoor Leigh Day & Co. In februari 2007 was al eerder zo’n regeling getroffen met de autoriteiten van Ivoorkust. In beide gevallen liet Trafigura aantekenen dat het geen schuldbekentenis was. Milieuorganisatie Greenpeace heeft er geen vrede mee en probeert Trafigura in Nederland wel degelijk schuldig te laten verklaren.

Er is bijna geen medium geweest dat de verschrikkingen van de giframp niet in bewogen bewoordingen heeft beschreven. En heeft geïllustreerd met schrijnende foto’s van Ivorianen vol zweren en andere huidaandoeningen. De rapportages werden gelardeerd met opnamen van poelen vol dik, teerachtig drab waarin onherkenbare voorwerpen langzaam wegzonken. Ernaast een bord met een doodshoofd erop. Of mannen in witte pakken met gasmaskers.

STERFGEVALLEN

Weinig aandacht was er vorige maand voor de verklaring die de schikking tussen Trafigura en Leigh Day en haar slachtoffers vergezelde. In de Joint Statement van 19 september wordt genoteerd dat 20 experts de gebeurtenissen in Abidjan hebben onderzocht. Deze onafhankelijke deskundigen, staat er, zijn niet in staat gebleken een verband te leggen tussen de dumping van het raffinaderij-afval (de slops) en de gerapporteerde sterfgevallen en miskramen, geboorteafwijkingen, enzovoort. En letterlijk: “Leigh Day, geconfronteerd met de bewijzen van de deskundigen, erkent nu dat de slops in het ergste geval een reeks tijdelijke griepachtige verschijnselen en angst hebben kunnen oproepen.” Rechter A.G. MacDuff van het High Court waarvoor de zaak tussen Trafigura en Leigh Day diende voegde daar spontaan aan toe dat hij er ook zelf van overtuigd was geraakt dat sommige media de zaken onjuist hadden voorgesteld. Hij hoopte dat deze media nota zouden nemen van de Joint Statement en de zaken zouden rechtzetten.

Martyn Day van Leigh Day weigert op de Joint Statement in te gaan. “De met Trafigura gesloten overeenkomst staat mij niet toe verder commentaar te geven.” Dat is niet juist, zegt Trafigura per e-mail, er is uitdrukkelijk overeengekomen dat het de partijen wél vrij stond te reageren op vragen uit de media.

De voor de hand liggende vraag aan Leigh Day & Co was: hebben de tien deskundigen die zij inschakelde (elke partij had er tien) ingestemd met de Joint Statement? Het antwoord moet nu van Trafigura komen: ja, dat deden ze. En het waren ‘professors, doctors and experts in their field’ die het deden.

RAPPORT

Twee weken voor de schikking had de speciale rapporteur van de VN, de Nigeriaanse politicoloog Okechukwu Ibeanu, zijn rapport over de Probo Koala-kwestie uitgebracht. Meest geciteerd is zijn opmerking dat er sterk prima facie-bewijs lijkt te zijn dat de sterfgevallen en gezondheidsschade het gevolg waren van de afvaldumping. Dat dit dus evident was. Minder aandacht was er voor Ibeanu’s notitie in dezelfde samenvatting dat het causaal verband tussen de sterfte en gezondheidschade en het afval in Abidjan ‘nog niet volledig is vastgesteld’.

RAMPENDIENST

Al eerder, in september 2006, hadden deskundigen twijfel uitgesproken over aard en omvang van de giframp. Experts van de UNDAC (een rampendienst van de VN) noteerden na een bezoek aan Abidjan dat de zeer giftige gassen waterstofsulfide (H2S) en methyl- en ethylmercaptaan uit de slops waren vrijgekomen en zich waarschijnlijk in gevaarlijke concentraties boven de dumpplaatsen hadden opgehoopt, maar dat niet bekend was hoeveel mensen daaraan feitelijk waren blootgesteld. De mercaptanen hebben een weerzinwekkende geur die al in uiterst lage concentratie wordt waargenomen. Ze worden aan aardgas en butagas toegevoegd om dat ruikbaar te maken. Drie weken na de dumping van het vuil achtte UNDAC het gevaar geweken. Maar de laatste resten mercaptaan die nog hevig nastonken, gaven een vals gevoel van giftigheid. UNDAC tekende erbij aan dat lokale media met alarmistische uitspraken veel angst hadden verspreid, niet alleen onder het publiek maar ook onder lokale VN-organisaties.

Nederland heeft een speciale relatie met de Probo Koala-kwestie. Niet alleen doordat Trafigura Beheer in Amstelveen is gevestigd, maar vooral omdat de Probo Koala met haar beruchte raffinaderij-afval in juli 2006 in de Amsterdamse haven had gelegen. Daar had men het aan afvalverwerker APS (inmiddels MAIN geheten) ter verwerking aangeboden. Ja, zelfs was APS al met verwerking begonnen (zie kader) maar daarbij kwam zo’n stank vrij dat de buren de brandweer belden. Tegelijkertijd stelde APS vast dat de slops veel vuiler waren dan Trafigura het had voorgesteld, waardoor voor de verwerking aanzienlijk meer betaald moest worden dan overeengekomen.

MONSTERS

Van belang is dat verschillende autoriteiten, gewaarschuwd door de stankgolf, op diverse plaatsen bij APS en in de Probo Koala monsters namen uit de slops. Ze zijn later geanalyseerd door het NFI. Dankzij het ‘stankincident’ beschikt Nederland over een uitstekend inzicht in de samenstelling van het afval. Daarin zijn geen griezelige onbekende stoffen aangetroffen, het bestaat voornamelijk uit een geconcentreerde oplossing van NaOH (natriumhydroxide) in water waarin behalve fenolen vooral het genoemde waterstofsulfide (H2S) en mercaptaan zijn opgehoopt. Hetzelfde onaangename afval ontstaat dagelijks in vele raffinaderijen, maar wordt meestal op eigen terrein geregenereerd. Bij verkeerde behandeling kunnen de gevaarlijke H2S en mercaptanen er uit vrijkomen.

OMZWERVINGEN

De Probo Koala heeft na de ruzie met APS haar slops weer teruggenomen en is de zee opgegaan. (Dat had niet gemogen, maar dat blijft vandaag onbesproken.) Na enige omzwervingen arriveerde het schip in de nacht van 19 augustus 2006 in Abidjan.

En daar heeft het jonge bedrijfje Société Tommy, dat had verklaard wel raad te weten met de slops, de waterige, dun vloeibare troep in gecharterde tankwagens overgeladen en pardoes over de omgeving verspreid. Het merendeel hebben de chauffeurs laten weglopen op bestaande afvalstortplaatsen, in rioleringen en in de lokale lagune. In totaal zo’n zestien ‘sites’, sommige heel gering van omvang. Wat Société Tommy gelukkig niet heeft gedaan is het afval neutraliseren. Het belandde in Abidjan zoals het uit Amsterdam was weggevaren: zeer alkalisch (met hoge pH).

Uit het verspreid gedumpte afval steeg een ondraaglijke stank op, waarschijnlijk vooral veroorzaakt door de mercaptanen. In de eerste berichten wordt gesproken over een knoflookgeur en de geur van keukengas. Het wekte ergernis en verontrusting op bij de omwonenden die in het ongekend vervuilde Abidjan toch wel wat gewend zijn. Binnen een paar dagen werd de volkswoede zo breed uitgemeten in de media dat de autoriteiten zich tot een reactie verplicht voelden. Op 24 augustus krijgen ‘slachtoffers’ het dringend advies zich met spoed bij ziekenhuizen en consultatiebureaus te melden. Een paar lokale media speculeren over radioactiviteit en kankerverwekkendheid. In de overspoelde ziekenhuizen ontstaat chaos. De duizenden die zich melden worden afgescheept met de vreemdste medicijnen tot ook de laatste paracetamol of otrivin op is. De regering treedt af en weer aan. Het is een situatie waarin bijna iedereen zich door het vuil vergiftigd voelt. Op 5 september meldt AFP-correspondent David Youant, op gezag van de administrateur van ziekenhuis CHU de Cocody, dat twee meisjes als gevolg van de vervuiling zijn overleden. Op 6 september spreekt president Gbagbo zijn volk toe. De tv onderbreekt de reguliere uitzendingen voor een oproep om ambulances ruim baan te geven. Op 8 september noemt Achim Steiner, executive director van de VN-milieuorganisatie UNEP, de gebeurtenissen een ramp.

POMPIERS

Maar op dezelfde dag arriveert een ploeg van zes Franse sapeurs-pompiers, rampendeskundigen, die voor het eerst aan het meten slaan. Zelfs dicht bij de stortplaatsen kunnen zij geen gevaarlijke concentraties H2S en mercaptanen ontdekken. Het gevaar is kennelijk geweken, zeggen zij. Een team rampendeskundigen van de VN (het bovengenoemde UNDAC-team) dat een paar dagen later arriveert, stemt met de Fransen in.

Op 13 september durft een ambtenaar van het ministerie van Gezondheid uit te spreken dat er misschien sprake was van een psychose. Het gevaar van inademing van giftige dampen is nu geheel verdwenen, zegt hij. Totalement disparu.

Maar het aantal slachtoffers, door Greenpeace graag vergiftigden genoemd, zal onverminderd blijven stijgen. Ook het ‘officiële’ dodental blijft groeien, op 17 februari 2007 wordt het zomaar opeens nog met vijf verhoogd tot 15. Dan is het afval van de Probo Koala al lang en breed door het Franse bedrijf Tredi weggehaald en verbrand in Frankrijk.

GEKNOEI

Het pijnlijke is natuurlijk dat het woord ‘officieel’ in de aanduiding ‘officiële dodental’ geen betekenis heeft. Wie het chaotisch optreden van de Ivoriaanse autoriteiten volgt (op internet kan dat), wie het geknoei van de ziekenhuizen ziet, wie kennis neemt van hun vreemde uitspraken en besluiten en de verschillende gewichtige, maar knullige rapporten kan maar één ding vaststellen: ze zeggen maar wat. Een regering die ‘slachtoffers’ oproept zich te laten registreren opdat zij later des te efficiënter kunnen worden schadeloos gesteld kan er op rekenen dat zich tienduizenden melden. Op de site www.asso-sherpa.org vindt men een lijst van ongeveer 100.000 (!) patiënten/slachtoffers, met naam, leeftijd en woonplaats. Het merendeel komt uit de wijk Cocody die, gezien de permanente zuidwestenwind die in augustus en september over Abidjan waait, nauwelijks onder de geur van het afval heeft gelegen. De waarheid is dat nooit onomstotelijk is aangetoond dat het vuil van de Probo Koala slachtoffers heeft gemaakt. Deskundigen zijn niet in staat geweest tot een ‘exposure assessment’, het kwantificeren van de blootstelling. Dat komt wel vaker voor, maar dan behelpen wetenschappers zich met een reconstructie van de blootstelling aan de hand van verspreidingsmodellen, een aannemelijke bronsterkte en meteorologische gegevens. Bij ongelukken zoals die van Seveso (1976), Tsjernobyl (1986) en de antrax-uitbraak in Sverdlovsk (1979) heeft dat veel aandacht gekregen. Opvallend genoeg is de wetenschappelijke belangstelling voor de ‘giframp’ in Abidjan nihil. De databank PubMed bevat slechts één onbeduidend artikel uit Médecine tropicale (december 2007).

Een reconstructie van de vermoedelijke blootstelling, uitgaande van een worst case-scenario door het in Cambridge gevestigde bedrijf CERC, heeft volgens Trafigura niet kunnen aantonen dat er een gevaarlijke belasting is geweest. Stank levert ergernis en stress op, misschien ook misselijkheid en hoofdpijn, wie weet prikkende ogen maar geen miskramen en geboorteafwijkingen. Er is geen enkel bewijs dat de huidaandoeningen die in beeld zijn gebracht ook maar iets met de afvaldumping te maken hebben (zoals ook een huisarts in een ingezonden brief in de Volkskrant van 3 oktober aanstipte). Niet vergeten moet worden dat de bevolking van Ivoorkust al jaren zwaar geteisterd wordt door aids, malaria, tuberculose en diarree.

Afgelopen zomer dook opeens een autopsieverklaring op die onweerlegbaar zou aantonen dat 12 Abidjanen aan een H2S-vergiftiging zijn overleden. Bij nadere inspectie blijkt het bizarre document onbruikbaar (zie kader).

GREENPEACE

De sterkste aanwijzing dat de lozing van slops van de Probo Koala, hoe absoluut verwerpelijk dat ook was, niet het onheil brachten dat er zo gretig aan wordt toegeschreven komt uit een rapport dat Greenpeace op zijn site juist opvoert om het tegendeel te bewijzen. Het is het verslag van een kleine enquête waarmee Ivoriaanse jongelui verbonden aan het bescheiden Centre Suisse de Recherches Scientifiques en Côte d’Ivoire in oktober 2006 langs de deur gingen. Zij informeerden naar klachten en ontvingen natuurlijk ook klachten, maar nooit op grotere afstand van een dumpplaats dan 3 km, en meestal minder. Gezien de formidabele ruikbaarheid van mercaptanen is dat een aanwijzing dat de concentraties ook vlak bij de dumpplaatsen niet heel hoog zijn geweest.

Nog overtuigender is de geconstateerde ongeschonden vitaliteit van kippen en varkens binnen 200, of zelfs 100 meter van de dumpplaatsen. Tot ergernis van de onderzoekers hadden lang niet alle Abidjanen die kippen en varkens afgemaakt, hoewel de overheid dat had verordonneerd. De enquêteurs vonden dat het alsnog moest gebeuren. De buitenstaander stelt vast dat de dieren kennelijk weinig last hadden gehad van het Probo Koala-gif. Zij hadden geen kranten gelezen, de radio niet begrepen en Greenpeace niet gehoord.

Er kan nog vermeld worden dat het Franse bedrijf Tredi bijna twintig keer zoveel afval heeft weggehaald als de Probo Koala aanvoerde. Dat komt omdat Société Tommy de slops op bestaande dumpplaatsen liet lopen. De zwarte dikke prut en verroeste oliedrums die zo vaak in beeld kwamen, die lagen er al voor de Probo Koala langs kwam.