Scherven van de Zwarte Zee

Het idee was altijd dat Griekse kolonisten rond de Zwarte Zee de inheemse bevolking als slaven exploiteerden. Maar archeoloog Peter Attema vond uit dat het anders zit. Theo Toebosch

Koergan hier, koergan daar, koergan overal. Dat is de eerste indruk van een archeoloog als hij op de Krim onderzoek gaat doen. Altijd steekt wel een prehistorische grafheuvel (Russisch: ‘koergan’) uit boven de eindeloze Oekraïense vlakten aan de kust. Maar wie goed zoekt, zoals landschapsarcheoloog Peter Attema de afgelopen twee jaar heeft gedaan, ontdekt ook sporen van Griekse kolonisatie uit de Hellenistische tijd. Sporen die belangrijk zijn voor kennis van de Griekse kolonisatie in het eerste millenium voor Christus.

In 2002, toen Attema als hoogleraar klassieke en mediterrane archeologie aan de Rijksuniversiteit Groningen zijn oratie uitsprak, was het nog zijn stille wens om bij de Zwarte Zee onderzoek te doen. “Ik ben geïnteresseerd naar wat er gebeurt als een nieuwe groep in een gebied komt. Wat gebeurt er tussen de inheemse bevolking en de nieuwe groep? Hoe zetten de nieuwkomers de situatie en het landschap naar hun hand?”

VERGELIJKINGSMATERIAAL

De Groningse archeologen onderzoeken daarom al enige jaren het proces van Griekse kolonisatie in Zuid-Italië. Onderzoek door buitenlandse archeologen in het Zwarte Zee-gebied zou mooi vergelijkingsmateriaal kunnen opleveren. “In het verleden hebben de Sovjetarcheologen in het gebied wel opgravingen gedaan, maar ze hebben alleen koergans en de grote Griekse kustnederzettingen bestudeerd. Verder zijn hun publicaties voor buitenlanders niet toegankelijk geweest, want bijna alleen in het Russisch en in beperkte kring verspreid.”

Vijf jaar na zijn oratie stond Attema zowaar voor het eerst op de Krim: “In het Deense Aarhus is een instituut voor Zwarte Zee-studies. De directeur kende ons onderzoek in Zuid-Italië en ze vroeg of we mee wilden doen.”

De Groningse archeologen namen hun intrek in een pension aan de noordwestkust van de Krim en huurden oude busjes met chauffeur. Luttele kilometers landinwaarts begonnen de uitgestrekte velden en geploegde akkers die ze op antieke resten wilden onderzoeken. Ze verdeelden het terrein in vakken van vijftig bij vijftig meter. Door vervolgens die vakken af te lopen en alle oude scherven, stenen en andere artefacten aan de oppervlakte te verzamelen, te registreren en te analyseren, kwamen ze er al snel achter dat in het gebied nog veel sporen waren van de Griekse kolonisatie uit de vierde eeuw voor Christus.

Grieken hebben vanaf de zevende eeuw in etappes het Zwarte Zee-gebied gekoloniseerd. Eerst stichtten ze steden en nederzettingen op de zuidkust. Later trokken mensen uit die koloniën verder om zich ook in het noorden te vestigen. Vanuit de nieuwe Griekse steden op de noordkust van de Zwarte Zee werd de verdere omgeving gekoloniseerd door langs de hele noordkust nederzettingen te stichten. Zo stichtten inwoners van Megara rond 560 voor Christus de kolonie Heraclea Pontica, die op haar beurt in de loop van de zesde eeuw voor Christus verantwoordelijk was voor het ontstaan van Chersonesos. Het grondgebied van deze kolonie bij het puntje van de Krim werd in de vierde eeuw voor Christus uitgebreid door langs de noordwestkust van de Krim kleine nederzettingen te bouwen.

KEURIGE SCHEIDING

Tijdens hun eerste campagne in 2007 vonden de Groningers de resten van die nederzettingen, waaronder boerderijcomplexen met een versterkte toren. In de heuvels dieper landinwaarts ontdekten ze stenen veekralen en boerderijen van de inheemse bevolking. Attema: “Dat leek te wijzen op een keurige scheiding tussen Grieken en inheemse bevolking. Aan de ene kant de Grieken die zich aan de kust richtten op graanbouw voor Chersonesos en aan de andere kant de inheemse bevolking die zich op een afstand met veeteelt bezighield. Maar het jaar erop vonden we ook Griekse nederzettingen in de heuvels. Verder duidt de aanwezigheid van Grieks aardewerk op inheemse plekken dat er over en weer vreedzame contacten zijn geweest. De Sovjet-archeologen hadden nog het idee dat de inheemse bevolking een soort slaven van de Grieken waren geweest.”

GROTE KOLCHOZEN

Terwijl Attema in Italië gewend is landschappen te onderzoeken die continu bewoond en gebruikt zijn, ongeacht de aard van het bestuur, ontdekte hij op de Krim dat intensief gebruik van het landschap daar afhankelijk is van een sterke centrale organisatie. “De Griekse kolonisatie heeft ook maar kort geduurd, want vanaf de derde eeuw voor Christus vielen de nomadische Skythen het gebied binnen. En dan duurt het tot de Tsarentijd voordat er hier weer wat gebeurt. Tijdens de Sovjettijd hebben ze hier grote kolchozen (collectieve boerderijen) gesticht.”

Dit gebrek aan grote ontwikkelingen heeft voor archeologen als voordeel dat veel antieke resten nog intact zijn. Volgens Attema kan dat snel veranderen. “Het gebied ligt aan een mooie baai, waar veel Oekraïners, Russen en Wit-Russen op af komen. Voor je het weet staan ook hier de grote toeristenhotels.”

BRIEF

Het is dus zaak dat het gebied snel helemaal wordt onderzocht, maar de geplande campagne van dit jaar ging plotseling niet door. “Onze Oekraïense vergunninghouders hebben een brief geschreven dat ze niet meer verder wilden. Punt.”

Via via heeft Attema vernomen dat de Oekraïners vanwege de Groningse vondsten bang zijn voor gezichtsverlies. “Zij hadden eerder gezegd dat in de heuvels afgezien van de koergans geen archeologische resten waren. In het gebied is namelijk door een staatsbedrijf een windmolenpark gepland.” Een brief aan de Academie van Wetenschappen in Kiev mocht niet baten. “Ze zeiden: dit is te ingewikkeld voor ons, daar gaan we ons niet mee bemoeien, dat moeten jullie zelf maar oplossen.” Toch heeft Attema de hoop niet verloren dat het onderzoek later nog verder gaat. “Het windpark gaat mogelijk toch niet door.”