Links, rechts en de armoedeval

Terwijl de economische crisis de tekortkomingen van ongereguleerd kapitalisme eens te meer zichtbaar maakt, verliezen sociaal-democratische partijen vrijwel overal in Europa terrein, soms op massieve schaal. Drie verklaringen dringen zich op. Ten eerste illustreren de forse krimp van het nationale inkomen en de snel oplopende werkloosheid, zowel hier als elders, dat beleidsmakers nog altijd beperkt greep hebben op schommelingen in het niveau van de bedrijvigheid, ook al zijn de uitslagen tegenwoordig geringer dan de conjunctuurbewegingen in de negentiende eeuw, de glorietijd van het ongebreidelde kapitalisme. De zware recessie zet de pretentie van links, dat zij de kwalen van het kapitalisme kan genezen in het raamwerk van een gemengde economische orde, op losse schroeven. Daarbij komt dat sociaal-democraten geen onderscheidend eigen antwoord op de huidige crisis weten te geven. Ook landen waar rechts regeert stimuleren op dit moment hun nationale economie door een combinatie van hogere overheidsuitgaven en lagere belastingen. De budgettaire armslag voor dit type tijdelijke stimuleringsmaatregelen is nu beperkt, gezien de structurele verslechtering van de overheidsfinanciën in de meeste industrielanden.

Vroeger of later zullen regeringen moeten kiezen voor omvangrijke bezuinigingen om de collectieve financiën op orde te krijgen en zo een eind te maken aan de scherp oplopende overheidsschuld. Met uitsluitend lastenverzwaringen kan daarbij niet worden volstaan. Voor zover sociaal-democratische partijen meeregeren ontkomen zij niet aan de verantwoordelijkheid voor impopulaire bezuinigingen, waarmee zij een deel van de traditionele achterban van zich vervreemden. In ons land hebben de ministers van PvdA-huize zich bijvoorbeeld gecommitteerd aan verhoging van de AOW-leeftijd tot 67 jaar. In eigen kring een omstreden ingreep. Daarenboven is de rode minister van Financiën de eerstverantwoordelijke voor een in de Miljoenennota 2010 aangekondigde ongehoord omvangrijke bezuinigingsoperatie, die ettelijke tientallen miljarden moet opleveren. Al kunnen linkse partijen zich tevens profileren door de posten waarin zij het mes willen zetten, het blijft zeer de vraag of het electoraat in den brede zich door zo’n programma aangesproken voelt.

Ongedurige kiezers zijn steeds minder merkentrouw en hoppen gemakkelijk naar partijen links en rechts van het snel afkalvende politieke midden. Daar ligt de laatste verklaring voor het terreinverlies van de sociaal-democraten. Inmiddels schieten hun politieke tegenstanders met scherp. In zijn slotrede op het jaarcongres van de Britse Conservatieve Partij stelde David Cameron vorige week bijvoorbeeld dat Labour de armsten in de steek laat. Een alleenstaande moeder met twee kinderen, die van 150 pond (163 euro) per week moet rondkomen, houdt van elk pond dat zij extra verdient slechts 4 penny’s over, doordat zij tegelijk wordt gekort op allerlei inkomensafhankelijke subsidies. Citaat: „Dertig jaar geleden won onze partij de verkiezingen door te strijden tegen een belastingtarief van 98 procent voor de rijken. Vandaag wil ik dat wij ons nog bozer tonen over de belastingdruk van 96 procent voor de armsten.” Cameron doelt hier op de armoedeval, die veel huishoudens met een laag inkomen gevangen houdt. Ook in ons land zitten honderdduizenden families in die val: van een inkomensstijging worden zij financieel niet veel beter.

Neem een werknemer met een belastbaar jaarsalaris van 27.000 euro, die door overwerk, promotie of verandering van baan 5.000 euro meer kan verdienen. Hij is kostwinner en heeft twee jonge kinderen. Zijn huur bedraagt 490 euro per maand. Deze modale werknemer gaat na zijn loonstijging:

2.245 euro meer belasting betalen;

verliest zijn huurtoeslag (dit scheelt 1.152 euro);

verliest 252 euro zorgtoeslag;

raakt 144 euro van zijn kindgebonden budget kwijt.

Aan inkomensheffing en de korting op drie inkomensafhankelijke toeslagen verliest hij al met al 3.793 euro. Netto houdt hij dus 1.207 euro over. Zijn (marginale) belastingdruk bedraagt 75 procent. De schatkist wordt er immers 3.793 euro beter van wanneer hij bruto 5.000 euro meer gaat verdienen. Vergelijk die 75 procent met het toptarief van de inkomstenbelasting (52 procent) dat van toepassing is op wat bemiddelde inkomenstrekkers méér verdienen dan 55.000 euro per jaar.

Om de put van de armoedeval te dempen zou de overheid huurtoeslag, zorgtoeslag en zo meer onafhankelijk van het inkomen kunnen maken. Iedereen krijgt er recht op, ook mensen die zulke toeslagen niet nodig hebben. Met de genoemde toeslagen is nu jaarlijks al meer dan vijf miljard euro gemoeid. Kan iedereen er aanspraak op maken, dan drijft dit de overheidsuitgaven met vele miljarden op. Mede daarom is dit een onbegaanbare weg. De andere, rigoureuze aanpak van de armoedeval is alle inkomensafhankelijke toeslagen af te schaffen. Dit betekent een opsteker voor de schatkist, maar dan staat een grote groep gezinnen in de kou, die onvoldoende inkomen hebben om de premie voor de ziektekostenverzekering en de huur volledig uit eigen zak te betalen.

De armoedeval is het logische en onvermijdelijke gevolg van regelingen die niet kunnen worden gemist om wonen en zorgverzekering voor iedereen financieel bereikbaar te houden. De hoge impliciete belastingdruk door deze inkomensafhankelijke regelingen is de prijs die huishoudens met lagere inkomens betalen voor hun verzorging door de staat. Alleen wie de verzorgingsstaat afwijzen en toenemende armoede verwelkomen, kunnen er bezwaar tegen maken.