Kortzichtigheid

Het zal u ontgaan zijn, maar binnen de literaire wereld woedt op dit moment een discussie over hoe de literatuur weer maatschappelijk relevant gemaakt kan worden. Doen romans en verhalen er nog toe? Literatuur wordt, vreest men, niet langer gezien als een vorm van kunst, iets wat diepte geeft aan het menselijk bestaan, maar eenvoudig als een vorm van vermaak, of veel erger, iets voor een kleine groep fijnproevers, die het met elkaar heel gezellig hebben, maar die hun kennis en inzichten op geen enkele manier meer weten over te brengen buiten hun eigen groep. In de dag- en weekbladen worden de recensies van boeken korter en schaarser. Op televisie verschijnen weliswaar regelmatig schrijvers, maar je kunt niet zeggen dat met hen beschouwelijke gesprekken worden gevoerd over hun worsteling met het bestaan; meestal blijft het bij de vraag of ze wat ze hebben geschreven echt hebben meegemaakt. Of, als ze een prijs hebben gewonnen, wat ze met het geld gaan doen.

Nu is het overal crisis. Vrijwel alle maatschappelijke instituten, of het nu de partijpolitiek of de monarchie is, het openbaar bestuur of het bankwezen of de krantenwereld, staan onder druk. Overal klinkt de roep om hervorming. Oude systemen horten en stoten. Nieuwe systemen blijken gebakken lucht. Ik ken geen enkele organisatie waarin niet naarstig wordt gezocht naar nieuwe manieren om zich te verhouden tot zich in razend tempo voltrekkende technische innovaties en de maatschappelijke veranderingen die daar het gevolg van zijn.

Zo’n crisis in de literatuur, ik geef het meteen toe, steekt daar wat bleekjes bij af. Maar toch. „Filosofie”, schrijft de cultuurcriticus Theodore Dalrymple in zijn meest recente boek Profeten en charlatans, „zal nooit de plaats kunnen innemen van de literatuur, die het vermogen heeft om niet alleen dingen te beweren, maar om af te dalen tot in de diepste vezels van ons wezen”. Dat is niet alleen een persoonlijke aangelegenheid, een geriefelijke hobby voor in de leunstoel. De literatuur heeft de maatschappij iets te zeggen.

Neem de crisis in het leiderschap – het gevoel dat onze bestuurders het op essentiële manier laten afweten. Ik ken geen betere analyse van die actuele crisis dan De stille kracht van Louis Couperus, een boek dat bijna honderdtien jaar oud is. De meeste lezers zullen zich een zinderend verhaal herinneren over overspel in de tropen, vergrijpen waarvoor de verschillende personages genadeloos wordt gestraft door mystieke krachten die diep in de Indische grond schuilen en in het wraakzuchtige hart van de geknechte Javaan. Nederlandsch-Indië, tempo-doeloe, goena-goena en Indische typetjes – dat werk.

Maar de roman gaat in werkelijkheid over falend leiderschap, over de tragische ondergang van een rationeel en fatsoenlijk bestuurder: Van Oudijck, resident van het gewest Laboewangi. In het eerste hoofdstuk van de roman wordt het decor van het drama neergezet. Couperus beschrijft het reilen en zeilen in het residentiehuis. Die ambtswoning heeft het aanzien van een paleis. Tegenover dit symbool van het Hollands gezag, aan de andere kant van de Lange Laan, bevindt zich de woning van de secretaris en zijn vrouw, Eva Eldersma – zij is de andere hoofdpersoon van de roman. Beiden, de resident en de vrouw van de secretaris, zijn verstandig en verlicht, beiden hebben het beste met hun omgeving voor, maar delven niettemin het onderspit. Aan het einde van de roman is de familie van de resident voorgoed uiteengevallen en heeft hij zijn veelbelovende carrière bij het Binnenlands Bestuur opgegeven. Hij woont samen met een inlandse vrouw in de binnenlanden. Daar zoekt Eva hem op. Haar verheven artistieke ambities zijn weggekwijnd en ze staat op het punt om samen met haar zwaar overspannen man terug te gaan naar Nederland. Beiden zijn gebroken.

Wanneer ze vlak voor hun afscheid in een open rijtuig naar het station rijden, proberen ze onder woorden te brengen wat het is geweest dat hen kapot heeft gemaakt, wat nu precies die stille kracht is.

Wat is het bij resident Van Oudijck, de betrouwbare bestuurder, die in niets lijkt op het stereotiepe beeld van de botte Hollandse koloniaal? Tegen Eva zegt hij tijdens hun laatste gesprek: „Voor mij… waren het feiten die ik niet begreep.” Van Oudijck is een door-en-door Hollandse rationalist, die het leven „ziet zoals het moet zijn, niet zoals het is”. Hij beschikt, schrijft Couperus, over een „heersersnatuur’’, die hem, ambtenaar in dienst van het gouvernement, blind doet zijn voor de tegenstrijdigheden van de menselijke natuur. Van Oudijck denkt niet, schrijft Couperus, volgens „de tintwisseling van zijn leven, maar volgens zijn ideeën en principes”. Hij acht zichzelf rechtvaardig, omdat hij de regels naleeft. Dat verhindert hem goed te kijken naar de mensen om zich heen, hen werkelijk aan zich te binden. Hij handelt naar de theorie, niet naar de praktijk. Dat maakt hem ziende blind en die blindheid speelt hem niet alleen parten in zijn bemoeienissen met de mensen over wie hij heerst, maar ook in zijn gezinsleven.

Zijn god is de god van het gezond verstand, zijn leiderschap een leiderschap van principes. Daarom ontgaat hem iets wezenlijks. Hij kan domweg niet begrijpen dat de inlanders over wie hij heerst hem verachten, terwijl de plaatselijke inlandse regent, die zijn onderdanen veronachtzaamt voor occulte zaken en goklust, door hen juist wordt aanbeden. De bovennatuurlijke krachten die op hem en zijn gezin worden losgelaten zijn de doodsteek; hij is ze weliswaar gemakkelijk de baas, maar hij begrijpt ze niet. Dat wordt zijn ondergang. „Er was geen logica in.”

Er was geen logica in. De kortzichtigheid van de resident is schrijnend actueel. Spreek een politicus of bestuurder en al snel stuit je op hetzelfde gekwetste onbegrip over gebrek aan waardering voor hun inspanningen en mooie plannen. Ze doen alles om de burger tegemoet te komen, en toch worden ze gehoond en gehaat. Vogens Couperus is Van Oudijck tot mislukken gedoemd, omdat hij van bovenaf iets wil opleggen zonder dat hij gevoelig is voor zijn omgeving, de aard en cultuur van de mensen over wie hij heerst. Logica, regels, theorie, het werkt allemaal averechts, wanneer gevoeligheid, intuïtie, en empathie ontbreken.

De stille kracht is een literaire klassieker – wat betekent dat iedereen het boek kent en niemand het leest. Het zou verplicht moeten worden gesteld voor bestuurders en ambtenaren.

Reageer op nrc.nl/heijne