Kabinet ontziet de kwetsbare groepen

Het kabinet presenteerde gisteren zijn eigen alternatief voor het omstreden nieuwe AOW-plan. Er staan nog wat vragen open, maar de coalitie is tevreden.

Het kabinet gaat de AOW-leeftijd verhogen naar 67 jaar, net als Groot-Brittannië en Duitsland al deden. Alleen mensen die lang hebben gewerkt of een zwaar beroep hebben kunnen met 65 jaar stoppen, maar tegen een lager pensioen.

„Ik hoop dat de FNV inziet dat we oog hebben voor zware beroepen en dat we de verhoging van de AOW-leeftijd op verantwoorde wijze invoeren”, zei premier Jan Peter Balkenende gisteravond in de toelichting op het besluit van de ministerraad. Hij reageerde daarmee op de scherpe reactie van FNV-voorzitter Agnes Jongerius eerder deze week, die het deels uitgelekte voorstel „een misbaksel” en „een gedrocht” had genoemd.

„Alle kwetsbare groepen hebben we ontzien”, zei Wouter Bos, PvdA-leider en minister van Financiën. Hij schrikt er niet voor terug de strijd aan te gaan met een deel van de achterban, die al verzet tegen de plannen heeft aangekondigd.

Hoe de kwetsbare groepen worden ontzien blijkt volgens het kabinet op diverse manieren. Voor mensen die al in de buurt van de pensioengerechtigde leeftijd zitten – 55-plussers – blijft alles hetzelfde. Zij hebben geen tijd meer om zich op ander werk te prepareren of extra te sparen voor hun pensioen. Dus iedereen die op 1 januari 2010 55 jaar is kan met 65 jaar ophouden met werken.

Ook mensen die op jonge leeftijd met een baan begonnen zijn en al heel lang werken, kunnen AOW krijgen als ze 65 worden. Wel ontvangen ze dan een lagere uitkering en minder aanvullend pensioen. Want tegelijkertijd met de verhoging van de AOW-leeftijd stijgt de leeftijd van de aanvullende bedrijfspensioenen. Lagere inkomens worden hiervoor deels gecompenseerd. Daarvoor heeft de PvdA in de onderhandelingen zijn best gedaan.

En als iemand vroeg ‘versleten’ is omdat hij een zwaar beroep uitoefende en zodoende voor de leeftijd van 65 jaar werkloos of arbeidsongeschikt is geworden, houdt hij langer recht op een „fatsoenlijke uitkering”. Mensen die op of na 65 jaar geen recht meer hebben op WW of een arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen tot hun 67ste een financiële compensatie, die rond het AOW-niveau ligt. Op deze manier blijft het vermogen of het inkomen van de partner buiten schot, zodat het niet nodig is om bij voorbeeld het eigen huis ‘op te eten’.

Met bovenstaande maatregelen menen de drie coalitiepartijen CDA, PvdA en ChristenUnie in ieder geval de kwetsbaarste groepen te compenseren.

Lastiger is het voor werknemers, die een zwaar beroep uitoefenen en die jonger zijn dan 55 jaar. Het kabinet heeft bewust gekozen voor de late invoeringsdatum van de eerste stap naar 66 jaar (2020) en een tweede stap naar 67 jaar (2025), zodat sociale partners een ‘duurzaam inzetbaarheidsbeleid’ gaan voeren. Anders gezegd: „Het is voor ons heel belangrijk dat mensen niet met de tong op de schoenen de AOW halen”, zei Jetta Kllijnsma, staatssecretaris (Sociale Zaken, PvdA) na afloop van de ministerraad in een toelichting.

Met een zorgvuldig loopbaanbeleid, met om- en bijscholingsmogelijkheden zodat werknemers na jaren van zwaar werk andersoortige functies kunnen uitoefenen en met aanpassing van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbo) zouden werknemers in de toekomst niet meer ‘versleten’ moeten raken, redeneert het kabinet.

En een werkgever die niet meewerkt krijgt een boete. Hij moet werknemers, die maximaal dertig jaar een zwaar beroep hebben uitgeoefend, lichter werk aanbieden. Blijft de werkgever in gebreke zal hij financieel moeten bijspringen zodat werknemers alsnog met 65 jaar kunnen stoppen.

Maar wie bepaalt wat een zwaar beroep is? Zijn dat alleen de stratenmakers en bouwvakkers of ook leraren en mensen die in verpleeghuizen werken? Wie verplicht werkgevers en werknemers tot omscholingsprogramma’s waar vaak beide vaak weinig voor voelen? En welke werkgever neemt iemand aan met 25 jaar ervaring in een ‘zwaar beroep’, waarmee hij het risico loopt op forse financiële sancties? Op enkele cruciale vragen omtrent de zware beroepen blijft het kabinet het antwoord schuldig.

„Er zijn nog enkele vragen die om een oplossing vragen”, zei minister Donner en verwees naar de Raad van State die zich de komende tijd kritisch over het wetsontwerp zal buigen voordat het naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Dat laat onverlet „dat de AOW-maatregel nodig is omdat deze bijdraagt aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën, herstel van het pensioenstelsel en aan de arbeidsparticipatie”, aldus Donner.