'Je houdt er geen brak lichaam aan over'

Turnster Fieke Willems verzet zich tegen het amateurisme in haar sport. „Kregen we maar 100.000 euro van de miljoenen die in het voetbal omgaan.”

Als aankomend arts weet Fieke Willems hoe belastend turnen voor kinderlichaampjes is. Maar als ervaren turnster kent ze de harde wetten van topsport, waarin steeds opnieuw grenzen moeten worden verlegd. Desondanks vindt Willems dat de leeftijdsgrens voor senioren van zestien naar achttien jaar verhoogd moet worden.

Maar ben je als turnster dan niet te oud? En zit een veranderend lichaam je niet in de weg? Het hoeft niet. De 26-jarige Willems is er zelf het levende bewijs van door na vier jaar stilstand haar rentree te maken en vooral tot haar eigen verbazing deelname aan de WK in Londen af te dwingen.

Het turnen is veranderd, ervaart Willems aan den lijve. „Tot voor kort werden turnsters op hun achttiende afgeschreven voor de top. Maar je ziet steeds meer twintigers die het prima doen. De tijden van Roemeense robotjes zijn voorbij, van meisjes van dezelfde lengte, met dezelfde paardenstaarten en dezelfde oefeningen. Turnsters hebben nu een eigen stijl, wat ik mooi vind om naar te kijken. Door de jury wordt daar gelukkig op ingespeeld, want de trend is dat netjes turnen beter beloond wordt dan kamikazeoefeningen. Medisch bekeken een hele verbetering.”

Waarmee Willems niet haar ogen sluit voor de werkelijkheid. Ze weet dat topsport ongezond is, vooral voor jonge kinderen in combinatie met krachttraining. Maar het nemen van risico’s hoort ook bij topsport, vindt ze. „Ik ben ook vaak te ver gegaan. Drie maanden geleden nog, toen ik mijn enkelbanden had gescheurd en kort daarna aan een wereldbekerwedstrijd deelnam. Dat is nu eenmaal de praktijk. Ik mis ook een deel van mijn meniscus en weet dat ik nu een verhoogde kans op artrose heb. En je zou schrikken als er een röntgenfoto van mijn enkels wordt gemaakt. Maar ik vind ook weer niet dat je een brak lichaam aan een turncarrière overhoudt.”

Willems heeft ambivalente gevoelens over ‘haar’ turnsport. Ze gruwt van de vijftienjarige meisjes die in zeven jaar tijd op doorgaans harde ondergrond zijn klaargestoomd voor de top. En om die te beschermen bepleit ze een hogere leeftijdsgrens. Maar ze houdt ook van de sport en beseft dat topturnen investeringen vereisen waarmee je jong moet beginnen. Daarom zou de begeleiding in haar ogen sterk verbeterd moeten worden. In de trainingszaal moeten turnsters het doen met de kennis van de trainer en zijn de arts en fysiotherapeut op afroep beschikbaar. Die vorm van amateurisme verontwaardigt Willems. „Altijd ontbreekt het aan geld. Soms denk ik wel eens: kregen we maar honderdduidend euro van de miljoenen die in het voetbal omgaan.”

Het eeuwige gebrek aan geld in het turnen raakt ook Willems persoonlijk. Zozeer dat ze gedwongen is definitief te stoppen als haar inkomsten binnen afzienbare tijd niet toenemen. Nu leeft ze al een jaar van een maandelijkse lening van 500 euro van de IB-groep, de instantie voor studiefinanciering. Gelukkig heeft ze nog een potje van wat modellenwerk, maar ook daarvan is de bodem in zicht. Eigenlijk wil Willems graag doorgaan tot en met de WK turnen van volgend jaar in Rotterdam, maar als haar financiële situatie niet verbetert, zal ze eerder moeten stoppen. Weliswaar met het aangename vooruitzicht dat ze als goedbetaalde arts – ze is bijna afgestudeerd – aan het werk kan, maar met het onbevredigende gevoel dat ze haar sportloopbaan dan te vroeg heeft beëindigd. „Niet om te klagen, maar financieel valt dit leven zwaar”, aldus Willems, die er bij vlagen ironisch van wordt. „Ik hoef mijn appartement nooit af te sluiten. Er valt niks te halen.”

Maar hoe beroerd weinig geld turnsters ook hebben, Willems kan niet loskomen van de sport. Sterker, ze dacht dat ze er vijf jaar geleden mee klaar was toen ze stopte. „Ik weet nog goed dat ik tegen mijn trainer Boris Orlov verzuchtte: ‘Heus Boris, ik kan echt niet meer. Pff, ik was op, zowel mentaal als fysiek. Door blessures was ik al jaren aan het vallen en opstaan. Ik had het punt bereikt dat ik echt niet meer verder kon.”

Maar dan? Willems dacht een sociaal leven te kunnen opbouwen. Dat viel tegen. Natuurlijk, ze ging uit met vriendinnen en had tijd voor een uitgebreid studentenleven. Maar het was zo onwennig. „Ik miste mijn vertrouwde omgeving”, zegt ze nu. „Ik was opeens vrij in een grote wereld, terwijl ik al die jaren in een kleine wereld had geleefd. Wat ik tekort was gekomen, zou ik na het turnen wel inhalen, heb ik altijd gedacht. Maar eenmaal vrij van al die verplichtingen, had ik voortdurend de neiging terug te gaan. Ach, het is allemaal goed gekomen en ik ben door die extra vrijheid ook niet ontspoord, maar het heeft wel enige tijd geduurd.”

Door welke hand ze werd gestuurd, weet Willems nog steeds niet, maar in 2007 keerde ze terug in de turnhal van haar Nijmeegse vereniging De Hazenkamp. Gewoon om recreatief te sporten, niet met het idee een rentree als turnster te maken. Tot Orlov op een goed moment zei: ‘Fieke, waarom begin je niet weer.’ „Ja, dáág, zei ik. Ik ben er vier jaar uitgeweest, dat is onmogelijk. Maar na enig nadenken, dacht ik: waarom ook niet? De studie ging goed en ik had het privé naar mijn zin. Het gekke was, dat ik oefeningen leerde die ik nooit had gedaan. Dat maakt het turnen weer leuk. En ik voelde me zó ontzettend sterk. En dan ga je door. Maar dat ik hier in Londen aan de WK zou meedoen, had ik nooit verwacht. Ik vind het prachtig, maar met het oog op de Olympische Spelen van 2012 had ik hier niet behoren te zijn.’’

Maar de tijd van een uitzonderlijke lichting talenten onder aanvoering van Verona van de Leur en Suzanne Harmes is voorbij. Willems heeft de opkomst van die generatie meegemaakt. Ze werd er het slachtoffer van, want de kunstjes die zij opvoerden kon Willems niet. Ze is ook geen natuurtalent, maar een turnster die altijd hard heeft moeten werken. Om dat hoge niveau te kunnen halen, erkent Willems dat ze jarenlang boven haar macht heeft geturnd. „Maar ik ging maar door. En eigenlijk steeds iets te ver. Daarom was ik ook zo vaak geblesseerd. Waar die meiden een oefening snel oppikten, had ik een half jaar langer nodig om iets onder de knie te krijgen. Nee hoor, ik was niet jaloers. Ik heb nooit naar anderen gekeken, maar altijd geprobeerd het maximale uit mezelf te halen.”

Die sociale inslag bracht Willems meer waardering dan prijzen. Ze speelde indertijd een soort moederrol in de nationale ploeg. Er waren zelfs toernooien waar ze om die reden aan het team werd toegevoegd.

„Ik was negentien, maar de ‘oma’ van het team”, zegt ze met lichte spot. „Ik dacht indertijd heel erg in het belang van het Nederlandse turnen. Ik wist dat ik sterk was en over doorzettingsvermogen beschikte, maar de lenigheid en het bewegingsgevoel van Van de Leur en Harmes miste. Ja hoor, ik kon dat accepteren. Die meiden konden alles tegen mij zeggen. Ik snapte hen wel. Buitenstaanders zeiden wel eens dat ik om die reden niet geschikt was voor topsport. Ik zou niet egocentrisch genoeg zijn. Ik vind dat onzin. Topsport kan volgens mij uitstekend samengaan met sociaal gedrag.”

Dat Willems ook haar tanden kan laten zien, bleek tijdens het conflict dat zij en drie andere turnsters bij De Hazenkamp kregen met trainster Esther Heijnen, die in haar omgang met turnsters Oostblokpraktijken werd verweten. Willems wil er niet meer over kwijt, dan dat zij de breuk met Orlov betreurt. Hij brak niet met Heijnen en week met Harmes uit naar Heerenveen. Willems koos voor Frank Louter in Zoetermeer als nieuwe trainer. „Hoewel er van mijn kant geen sprake is van een breuk met Boris, spreken we elkaar niet meer. Ik verwijt hem niks, want ik weet hoe moeilijk hij het met de situatie heeft gehad. Ik heb er begrip voor dat hij voor zichzelf heeft gekozen. En omdat ik weet waar de oorzaak van alle problemen ligt.”

Willems’ keus voor oud-bondscoach Louter betekende naast een verhuizing naar Zoetermeer ook een confrontatie met haar gebreken. Ze mist basistechnieken als gevolg van een slechte opleiding in haar eerste jaren bij De Hazenkamp. Pas toen Orlov kwam, ging Willems met sprongen vooruit. Maar toen was ze al dertien jaar en het kwaad al aangericht. „Ik turn vooral op kracht. Desondanks leer ik van alles. Moet ook wel, want de regels schrijven steeds nieuwe elementen voor. Ik heb op mijn 24ste nog een dubbele salto moeten leren, evenals de Moehkina (een gehoekte salto, red.) en de dubbele twist. Het is tof als je dat op latere leeftijd nog blijkt te kunnen.”

Voor een arts in opleiding met zo veel passie voor sport is Willems de ideale toekomstige sportarts. Maar Willems twijfelt, hoezeer dat specialisme bij haar past. „Ik weet niet of ik mijn leven lang wel in de sport actief wil blijven. Bovendien spreken andere specialismen me ook aan. Ik heb met veel genoegen mijn co-schap huisarts gedaan, vooral omdat het zo ver van de topsportcultuur af stond. Maar ik houd er ook van om zaken uit te pluizen. Daarvoor zou ik beter specialist kunnen worden. Ik weet het nog niet. Tijden mijn co-schappen had ik overal wel een goed gevoel bij.”